Lebeau's grote werk in "The Grand'

Door alle consternatie rond de Stopera had men in Amsterdam eind jaren tachtig even niet gedacht aan het lot van het voormalige stadhuis.

Wat moest er na de verhuizing gebeuren met het Prinsenhof, dit amalgaam van admiraliteitsgebouwen, residentie van de stadhouders en raadhuis? Vooral de plannen om er een hotel te vestigen deden het ergste vrezen. Wat zou er gebeuren met de zeldzame, want gave en volledig bewaard gebleven Amsterdamse School-interieurs? Die waren in een uitbouw uit de jaren twintig uitgevoerd in opdracht van het socialistische stadsbestuur. Dat de raadzaal, ontworpen door Willem Penaat, met zijn beeldengroepen van Hildo Krop en Mendes da Costa, de glas-in-lood ramen van R.N. Roland Holst in het hoofdtrappenhuis, de burgemeesterskamer met de deurpanelen van Fortuyn en de trouwzaal met de wandschildering van Chris Lebeau nog tijdens de verbouwing tot rijksmonument werden verklaard nam de onrust niet weg. Bij verbouwingen van monumenten gebeuren wel vaker ongelukken.

Onnodige bezorgdheid, is inmiddels gebleken. De Compagnie Internationale Phénix, die 26 hotels in Parijs en twee hotels in London exploiteert, respecteerde bij de aankoop de eis om de monumentale ruimtes intact te laten. Hotel The Grand, dat zij er vestigden en dat eind mei officieel open gaat, wilde wel moderne voorzieningen aanbrengen om de historische zalen te kunnen gebruiken als feest- en vergaderruimtes. Tijdens de verbouwing werden alle kwetsbare onderdelen verwijderd en de nieuwe technische snufjes keurig weggewerkt onder het plafond. Ter afwerking zijn zelfs tapijten vervaardigd naar het oude ontwerp.

Van al dit fraais kunnen straks de gasten van het vijfsterrenhotel genieten, à raison van 525 gulden voor de eenvoudigste eenpersoonskamer, tot 2000 voor een luxe suite. De buitenlander die langer wil blijven, kan een van de zestien appartementen in de voormalige admiraliteitswoningen huren voor tussen de zevenduizend en vijftienduizend gulden per maand.

Deze luxe staat in schril contrast met het streven van het gemeentebestuur in Wibauts tijd. Zal de welgestelde gast ooit kunnen bevatten dat de beroemde wandschildering van Chris Lebeau (1878-1945), wier restauratie deze week voltooid wordt, er bijna niet was gekomen omdat de kunstenaar in 1924 geen treinkaartje Den Haag-Amsterdam kon betalen? Hij kon derhalve niet komen onderhandelen over de opdracht van het Amsterdamse gemeentebestuur tot beschildering van de wanden van de trouwzaal eerste klasse. Toen stadsarchitect Hulshoff dit hoorde, liet hij Lebeau een voorschot van vijfhonderd gulden bezorgen. “Een groot buitenkansje. We kunnen nu weer wat ruimer lucht happen”, schreef deze dankbaar terug.

Bij het voorlopig toekennen van de opdracht moest de dienst Publieke Werken het doen met Lebau"s mondelinge uiteenzetting. Schetsen maakte hij niet. De eigenzinnige anarchist verkondigde de stelling dat men in het leven een fout getrokken streep ook niet kon uitgummen. Wel bracht hij een ondertekening in houtskool aan op de muren. Die maakte hij niet geheel uit de losse hand. Lebeau, die in zijn jeugd tekenlessen had gevolgd aan de avondschool van de Vâhanakring, de artistieke loge van de Theosofische Vereeniging, werkte volgens de daar geleerde meetkundige principes. De geschilderde figuren zijn ontworpen door middel van een geometrische berekening op basis van dezelfde verhoudingen als het siervlak. De meubilering en stoffering zijn overigens ook geheel op elkaar afgestemd qua afmeting en kleur: het trouwzaaltje is een uniek voorbeeld van gemeenschapskunst.

Lebeau zette een raster uit en vulde alle wanden met symbolische Art Deco-voorstellingen, die betrekking hebben op het huwelijksleven. Boven de ingang wordt het levensmysterie voorgesteld als een oosterse vrouwenkop met slangeharen en het "zevenkleurige ei der vruchtbaarheid' op het voorhoofd. Hij beeldde daarnaast de ontmoeting van man en vrouw af, de prille liefde, de bruiloft (in door hem ontworpen glas-in-lood ramen), de gezinsvorming, de opvoeding, de arbeid en de komende en gaande geslachten. Ook de twaalf tekens van dierenriem ontbreken niet.

De eerste opzet moet B en W zijn bevallen, want Lebeau kreeg de definitieve opdracht. Ondanks het feit dat hij zelfs tijdens de besprekingen zijn opvattingen over het vrije huwelijk niet onder stoelen of banken stak, en bovendien bedong dat er niemand in de zaal mocht komen zolang hij er aan het werk was. Nog jaren later circuleerde op het stadhuis, volgens het oud- hoofd Technische Dienst M. Heijder, een anekdote die Lebeau's anti-autoritaire geest illustreert: op een dag stond hij te schilderen, toen de deur van de trouwkamer open ging. Burgemeester De Vlugt kon het niet laten een kijkje te nemen. De kunstenaar wierp een blik naar beneden en zei: “Ik zie het: De Vlugt.” De burgemeester antwoordde minzaam: “Hoogstderzelve”, en verliet het lokaal.

Als een bezetene moet Lebeau met zijn assistent Cordel in 1925 en 1926 hebben gewerkt aan de schilderingen. Geen plekje bleef onbedekt: zelfs het plafond voorzag hij van geometrische lijnpatronen. Ze zijn uitgevoerd in Keimse mineraalverf: een verfsoort die in Duitsland en Zwitserland veel wordt toegepast op buitenmuren omdat zij oersterk is, ademt en niet verkleurt onder invloed van licht en warmte.

Ondanks de grote houdbaarheid hebben de schilderingen wel te lijden gehad, vertelt restauratrice Wil Werkhoven. Zij werd eind vorig jaar met de restauratie belast, en heeft er met een wisselend team van zes mensen twee maanden aan gewerkt. In 1941 achtte het pro-Duitse gemeentebestuur ze "ontaarde kunst' en liet ze met betengeling bedekken. Vooral het plakmiddel dat gebruikt werd om de betengeling te behangen trok in de muur. Dat is nu allemaal afgekrabd en opnieuw met de mineraalverf ingevuld. Boven de radiatoren zijn cracquelées ontstaan, waarin stadsvuil is gekropen. Die moeten overgeschilderd, omdat het hotel de ruimte straks helder wil uitlichten. “Als de schilderingen in een museum hadden gezeten, hadden we dat niet gedaan. Maar hier gelden andere eisen.”

Wie in de goed verlichte zaal staat waant zich in een voorjaarssprookje. Lebeau gebruikte frisse, heldere kleuren: turquoise, lichtgrijs, geel, oranje, violet. De algemene indruk is er een van sereniteit. Hoewel Lebeau elk vlakje opvulde met decoratieve lijnenpatronen - als spieren, plooien of dessins op kleding - heerst er toch een grote rust. Zijn "reine jongeling' en zijn "prille liefde' worden na lang staren symbool voor ieders jeugd en ieders eerste onschuldige kus. Hoe gedateerd de Art Deco ook mag lijken, hier staat een tijdloos monument.

Uit alle bronnen komt Lebeau naar voren als een onverzettelijke persoonlijkheid. In de oorlog stapte hij als vanzelfsprekend in het verzet en als vegetariër weigerde hij zelfs in Dachau nog om soep te eten, omdat er misschien wel vlees in zat. Hij zou er overlijden.

Alleen op humor heeft de schriftelijke overlevering hem niet kunnen betrappen. Of het moeten de damesschoenen met hoge hakken zijn waar hij zo verrukt van was omdat ze alle vrouwen "hertepootjes' gaven, en die hij inderdaad aan elk in aanmerking komend vrouwenbeen in de trouwzaal heeft geschilderd.