Hoogleraar: meer onderzoek foetus nodig

Het aantal pasgeborenen dat een ernstige handicap ontwikkelt is de laatste dertig jaar niet veranderd, ondanks de sterke toename van behandelwijzen. Dat zegt prof.dr. G.H.A. Visser, hoogleraar verloskunde en gynaecologie in Utrecht, vandaag in zijn inaugurale rede. Hij vindt dat eigenlijk op elke fles bier of wijn moet staan dat de inhoud schadelijk is voor een ongeborene.

UTRECHT, 7 APRIL. Anders dan tot nu toe wordt aangenomen is hersenbeschadiging als gevolg van zuurstofgebrek rondom de geboorte extreem zeldzaam. In dergelijke gevallen is en blijft de conditie van het kind bij de geboorte zeer slecht. De meeste van deze kinderen overlijden. Voor het vinden en voorkomen van dergelijke ontwikkelingsstoornissen moet veel meer onderzoek worden gedaan naar de zwangerschap zelf, dus naar de heel vroege ontwikkeling van embryo en foetus en naar de genetische structuren van het kind.

Dat stelt professor dr. G.H.A. Visser van het academisch ziekenhuis in Utrecht vandaag in zijn inaugurele rede als hoogleraar in de verloskunde en gynaecologie. Volgens hem moet bij het achterhalen van de oorzaken van stoornissen vooral gekeken worden naar de invloed van infecties en giftige stoffen tijdens de zwangerschap.

Ondanks een enorme vooruitgang in behandelingsmogelijkheden en inzichten is de laatste dertig jaar het aantal ernstige handicaps bij kinderen die op tijd werden geboren (met een min of meer normaal geboortegewicht van zes pond) niet veranderd. Het aantal spastische kinderen neemt niet af. Uit Zweeds onderzoek blijkt het aantal kinderen met een waterhoofd zelfs toe te nemen. Er is geen reden om te veronderstellen dat die ontwikkeling zich niet ook hier voordoet.

Dat er nauwelijks vooruitgang wordt geboekt bij het terugdringen van het aantal kinderen met een afwijking, is deels te verklaren uit de veel grotere overlevingskans van veel te vroeg geboren kinderen. Door hormoonstimulatie bij kunstmatige voortplantingstechnieken worden er jaarlijks meer - per definitie te lichte - meerlingen geboren, bij wie de kans op afwijkingen groter is.

Hoewel de laatste decennia een sterke relatie werd verondersteld tussen een zuurstofgebrek van de pasgeborene en latere spasticiteit, is de betekenis van die factor uiterst gering, zo stelt Visser. Bij hooguit tien procent van de op tijd geboren kinderen die later spastisch worden is rond de geboorte sprake van tekenen van zuurstoftekort. Visser: “Daarmee is nog niet gezegd dat bij deze tien procent de handicap ook daadwerkelijk is veroorzaakt door het zuurstoftekort. Er is een grote kans dat de schade al in een veel eerdere fase is toegebracht en dat bij de geboorte ook nog een zuurstoftekort optrad.”

Infecties in een vroeg stadium van de zwangerschap lijken een veel grotere kans op latere afwijkingen te geven dan een zuurstoftekort. Visser noemt infecties met een streptococ (een bacterie) en de cytomegalie (een virus). De streptococ bevindt zich bij tien tot twintig procent van de vrouwen in het baringskanaal en kan tijdens de geboorte voor infectie van de baby zorgen. Zo'n infectie vindt zelden plaats, maar van de kinderen die er een oplopen overlijdt de helft en houdt twintig procent er een ernstige geestelijke handicap aan over. Berekeningen leren dat dit bij twee op elke 10.000 kinderen het geval is. Dat zijn er al meer dan het totaal aantal kinderen dat een dergelijke afwijking heeft als gevolg van zuurstoftekort. Onderzoek naar deze bacterie bij vrouwen die op het punt staan te bevallen en eventuele toediening van antibiotica zou de sterfte onder pasgeborenen en het aantal gehandicapten sterk kunnen terugbrengen, meent Visser.

De gevolgen van een infectie met het cytomegalie-virus zijn volgens Visser nog ernstiger. Bij volwassenen doet het virus geen enkel kwaad, maar volgens schattingen in westerse landen bedraagt het aantal kinderen dat als gevolg van deze infectie later gezichts- of gehoorstoornissen heeft, dan wel mentaal sterk achterblijft twee op elke duizend pasgeborenen. Deze infecties zijn echter al te voorkomen met een vaccin dat in 1975 werd ontwikkeld. De vrees bestaat nog altijd dat het vaccin kankerverwekkend zou zijn, maar onder deskundigen wordt dat zo langzamerhand als strikt theoretisch gezien. Volgens Visser zou het echter al een stap vooruit zijn als het bloed dat bij een transfusie aan zwangeren wordt gegeven tevoren wordt nagekeken op de aanwezigheid van dit virus.

Ook invloeden van de buitenwereld op de foetus, zoals roken, drugs, alcohol, geneesmiddelen, beroep en milieu verdienen veel meer aandacht, meent Visser. Zo zou het probleem van alcohol en zwangerschap wel eens substantieel kunnen zijn, gegeven het feit dat in Zweden ongeveer acht procent van 'lichte' zwakzinnigheid (een IQ tussen vijftig en zeventig) wordt toegeschreven aan alcoholmisbruik tijdens de zwangerschap. Effecten op de foetus worden al waargenomen bij consumptie van vijf tot tien glazen per week. Visser wijst op Nederlands onderzoek waaruit blijkt dat het drinken van twee glazen witte wijn al tot een tijdelijke verstoring van de droomslaap van de foetus leidt. Die droomslaap is essentieel voor een normale ontwikkeling van het zenuwstelsel. Op elke fles drank moet volgens Visser staan dat de inhoud schadelijk is voor een ongeborene.