Grootvader

Het is donderdag tegen lunchtijd als ik hem opbel. “Hotel de la Gare”, de stem van een vriendelijke Française, “Ik zal hem even halen”.

Als hij aan de telefoon komt spreekt het enthousiasme uit zijn stem: het contact met zijn familie is hem dierbaar. Ik leg uit dat ik twee dagen later in Parijs zal zijn voor een afspraak. Kunnen we elkaar ontmoeten, vraag ik. Het is even stil. Dan: “Ja, natuurlijk. Dat is veel te leuk. Ik zal er zijn. Laten we met de lunch afspreken in Café Flore, St. Germain des Prés. Tot zaterdag.” Verbluft leg ik de telefoon neer. Wat een levenslust, wat een flexibiliteit!

* * *

Grootvader is 86. Hij woont al meer dan twintig jaar in een klein dorpje in het Zuiden van Frankrijk te midden van de wijnboeren en ver weg van het tumult van de Middellandse Zeekust. De laatste jaren is hij alleen en logeert hij in een hotel. Het stationshotel wel te verstaan van een klein dorpje waar misschien drie keer per dag een boemel stopt. Voor het georganiseerde comfort van een Hollands bejaardentehuis is hier geen plaats. Maar Hotel de la Gare mist ook de kilte die zo kenmerkend is voor de vestingen waarin onze samenleving zijn ouderen herbergt. In de gelagkamer, waar de jukebox voortdurend te hard speelt, is het een komen en gaan van de dorpsnotabelen die de laatste plaatselijke roddels uitwisselen en van wijnboeren die klagen over het weer. De aardige Française schenkt café en pastis voor de bezoekers terwijl grootvader zich au zinc mengt in de discussie of zijn krantje leest. Het is niet leuk om aan het einde van je leven ver weg van kinderen en kleinkinderen te zijn, maar als ik daar in die gelagkamer ben weet ik waarom grootvader weigert terug te keren naar Nederland. Hij weet ook wat wonen op zijn leeftijd in ons land inhoudt: dichterbij je eigen familie betekent verderweg van het leven.

* * *

Flore zit zaterdag aan het begin van de middag stampvol. Toch ontwaar ik onmiddellijk een paar driftig zwaaiende armen. We omhelzen elkaar in dankbaarheid voor het succes van de afspraak. Bij de erewijn staan we stil bij het feit dat hij zestig jaar geleden ook al in hetzelfde café kwam en dat destijds Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir daar dagelijks vertoefden. De geschiedenis wordt verborgen in een mensenleven. Maar zij schrijdt verder en we bespreken de belangwekkende verkiezingen die de volgende dag in Frankrijk op het programma staan. Le Pen houdt ons uren bezig.

* * *

's Avonds zitten we tegen over elkaar in een restaurant. In stilte geniet ik van ons samenzijn. Ik denk aan zijn levensmotto: je moet iedere dag doen wat je leuk vindt. En ik zie dat je met die levensinstelling een eind kunt komen. Natuurlijk, zijn gezondheid is een geschenk, maar ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat een levenshouding geluk kan afdwingen. De pianist speelt "Strangers in the night' - onfranser kan het niet -, tegenover mij gaan de armen omhoog en grootvader zingt uit volle borst mee. Het restaurant lacht hem toe. “Het is jammer dat je niet overal tegelijk kunt zijn zaterdagavond”, zegt hij als we later over een boulevard lopen. Bij zijn hotel nemen we afscheid. Met tranen in mijn ogen zie ik hem door de gang verdwijnen: Ik heb God in Frankrijk gezien. Chapeau Grand Père!