Gelukkig had Pronk oor voor de slachtoffers

In de discussie over het besluit van de Indonesische machthebbers om de ontwikkelingssamenwerking met Nederland te verbreken, introduceerden veel commentators een antropologisch begrip: de cultuur. De Indonesiërs zouden een andere cultuur hebben, zij zijn Oosterlingen, zij zijn anders.

Maar wie zijn de Indonesiërs? J.L. Heldring, die profiteert van de in driehonderd jaar opgebouwde kennis van de Indonesische cultuur en mentaliteit, ontdekt anno 1992 dat alle Indonesiërs tot één cultuur behoren: zij zijn allen Javaans! En de karakteristiek van deze cultuur wordt samengevat in één citaat: “Zelden wordt iets direct uitgesproken; voor de communicatie geldt de regel dat men geen antwoorden moet geven die de gesprekspartner kunnen teleurstellen. Ter wille van die regel mag zelfs qua inhoud, onjuiste informatie op de koop toe genomen worden” (NRC Handelsblad van 31 maart).

Of, in de woorden van N.G. Schulte Nordholt, die uitlegt hoe “fundamentele twijfel en vrij onderzoek anders worden gewaardeerd dan in de Westerse cultuur: de "waarom vraag' wordt er niet op dezelfde manier gesteld als bij ons” (Trouw van 30 maart). De Indonesiërs zijn zo gevoelig.

Vervolgens zijn deze commentators van mening dat de Indonesiërs wegens hun cultuur, hun gevoeligheid, anders dienen te worden behandeld dan gewone mensen: Nederlanders (moeten) “met voldoende respect spreken en handelen ten aanzien van de Indonesische cultuur” (ds. Uwe Hummel in Trouw van 30 maart).

Elke keer dat een Nederlander met een Indonesiër spreekt of handelt, moet hij of zij dus de gebruiksaanwijzing volgen: de Indonesische gevoeligheid niet raken. Volgens deze benadering zijn de Indonesiërs niet alleen anders, maar moeten zij ook niet gelijk met Nederlanders worden behandeld: geen van de commentators vindt het kennelijk nodig dat de Indonesiërs, op hun beurt “met voldoende respect (moeten) spreken en handelen ten aanzien van de (Nederlandse) cultuur”.

Graag willen wij hier het volgende aan toevoegen: Er zijn in Indonesië meer dan alleen Javanen. En het verschil tussen de Atjehers in het noorden van Sumatra en de Dani in de Baliem-vallei in West Papua is te vergelijken met het verschil tussen de Massaï en de Denen. Zelfs tussen de Javaan van Midden-Java en de Javaan van Oost-Java is er een wereld van verschil. Heldring hoeft niet aan een Duitse krant te refereren. Er zijn genoeg boeken in Nederland daarover. Bovendien zijn deze - zoals alle - culturen niet statisch, zij veranderen voortdurend, ook onder invloed van andere culturen zoals de Indiase, Arabische, Chinese, en ook de Nederlandse en andere westerse culturen.

Er zijn ook Indonesiërs die niet gevoelig zijn en die "fundamentele twijfel en vrij onderzoek' zoals in de Westerse cultuur, wel waarderen: de "waarom vraag' wordt op dezelfde manier gesteld als bij Nederlanders. De activisten van het Infight (Indonesian Front for the Defence of Human Rights) hebben bijvoorbeeld Amos Wako, speciale afgezant van de algemeen secretaris van de VN Boutros Ghall, tijdens zijn bezoek aan Indonesië gevraagd om een onpartijdig onderzoek over Oost-Timor in te stellen.

Trouwens, ook de Indonesische machthebbers weigeren niet altijd om "fundamentele twijfel en vrij onderzoek' te waarderen en de "waarom vraag' op dezelfde manier te stellen als bij de Nederlanders. Alle consultants die door de machthebbers worden ingeschakeld kunnen niet anders doen. Alleen als het resultaat voor de machthebbers politiek nadelig is of door andere Indonesiërs gebruikt kan worden, dan doen de machthebbers een beroep op hun gevoeligheid. Maar dit heeft niets met de Indonesische cultuur of mentaliteit te maken: Stalin, Hitler en Pinochet hadden last van dezelfde gevoeligheid.

In tegenstelling tot wat Heldring denkt, trekken niet alle Indonesiërs de grens “wanneer Nederlanders Indonesië gaan kapittelen over schending van mensenrechten”. Infight heeft met Pronk over de schending van mensenrechten in Indonesië gepraat. De Beweging van Indonesiërs in het Buitenland voor de Rechten van de Mens en de Democratie, Amnesty International, het Komitee Indonesië (Amsterdam) en Indoc (Leiden) krijgen alle informatie uit Indonesië ter verspreiding in Nederland. Deze bronnen willen dus wel inmenging van Nederlanders.

De vraag is dus naar wie moet je luisteren, naar mensenrechtenactivisten en slachtoffers van mensenrechtenschendingen of naar de machthebbers? De verdienste van Pronk is dat hij naar de slachtoffers en de activisten heeft geluisterd. De boodschap van de Indonesische machthebbers is duidelijk: we gaan gewoon door met de schending van mensenrechten, we gaan gewoon door met onze moordpartijen. En wat kan de Nederlandse regering, zonder IGGI en zonder ontwikkelingssamenwerking, doen om dit te voorkomen?

Men moet beseffen, zoals onder andere prof. Kooijmans en Kamerlid mevrouw Terpstra hebben gezegd, dat generaal Soeharto minister Pronk op een zeer slimme manier heeft gebruikt om zijn eigen politieke doel te bereiken. De beslissing van Soeharto toont eerder de limiet van IGGI als drukmiddel dan dat het gezien kan worden als het resultaat van wat minister Andriessen ten onrechte "padvinderij' van Pronk noemde. Dat heeft Komitee Indonesië, onder meer, al jaren gezegd. Er is dus geen reden om te jammeren. Integendeel. De verbreking van de ontwikkelingssamenwerking met Indonesië bevrijdt de Nederlandse regering van de IGGI: de Nederlandse regering hoeft geen gijzelaar meer te zijn van ontwikkelingsprojecten.

Er zijn fora waar de Nederlandse regering de schending van mensenrechten aan de orde kan stellen, zoals de VN-commissie en - subcommissie voor de mensenrechten. Deze fora worden in het geval van Indonesië, in tegenstelling tot bijvoorbeeld China, onvoldoende gebruikt. Ook in EG-verband kan Nederland erop aandringen dat het EG besluit om ontwikkelingssamenwerking en respect voor mensenrechten te koppelen wordt nageleefd.

Een Nederlandse organisatie als de FNV heeft dat op haar gebied trouwens al gedaan. Al meer dan tien jaar heeft beleidsmedewerker T. Etty in de Internationale Arbeidsorganisatie en het Internationaal verbond van vakverenigingen de schending van arbeidersrechten in Indonesië op de agenda gezet. Ook Etty werd door Indonesische IAO-delegaties aan het koloniaal verleden van Nederland herinnerd. Maar in tegenstelling tot de bovenaangehaalde commentators denkt hij niet aan cultuur en verleden tijd. Hij vindt het gewoon zijn plicht om de schending van arbeidersrechten aan de orde te stellen.

Foto: Kinderen op Sulawesi (Celebes) (foto NRC Handelsblad/ Vincent Mentzel)