Een pijnlijke familiekwestie

Met gespeelde bedaardheid neemt Thijs Verschoor, een man van middelbare leeftijd, gekleed in spijkerbroek en trui, voor de Hilversumse politierechter plaats. Hij zet een linnen tasje naast zijn voeten, waaruit hij, nog steeds in een wolk van sereniteit, een brillekoker, een schrijfblok en een ballpoint opdiept. De rechter ziet bevreemd toe. Komt de verdachte een stukje voorlezen of wil hij aantekeningen maken?

Verschoor zal zijn attributen niet gebruiken. Is ook niet nodig. Hij kent het verhaal uit zijn hoofd. Daarvoor is hij immers gekomen: om het eindelijk eens te vertellen. Zijn advocaat had het hem afgeraden. Wat schoot hij ermee op? Een rechtszitting is niet het geschikte podium om dergelijke problemen te bespreken. Maar Verschoor had zich niet van de wijs laten brengen. Hij verdomde het om te schikken.

Verschoor wordt beschuldigd van mishandeling van zijn zuster Geertje. Volgens de aanklacht heeft hij haar keel dichtgeknepen, plukken haar uitgetrokken en haar vervolgens tegen een muur gekwakt.

“Wat heeft u op de beschuldiging te zeggen?” vraagt de rechter, mr. F. Muskens.

“Ik heb het gedaan. Dat heb ik ook meteen tegen de politie gezegd.”

“U heeft haar ook nog op haar rechteroog geslagen?”

“Ja.” Verschoor haalt diep adem. Nu moet het komen. “Daar gaat een enorme geschiedenis aan vooraf.”

Maar de rechter wil de verdachte eerst nog confronteren met een aantal gegevens uit de aangifte van zijn zuster. Hij zou haar na binnenkomst op haar kantoor terstond hebben aangevallen. Toen ze haar spullen wilde pakken om te vertrekken, had hij haar dat belet. Na het incident had ze twee dagen niet kunnen eten, haar kaken stonden stijf van de pijn. Ze kon niet slikken, ze had over haar hele lichaam blauwe plekken. “Ik had echt het idee dat ik er geweest was”, had ze naderhand gezegd. Een arts constateerde, naast de lichamelijke kwetsuren, een verstoring van haar gevoelsleven.

“Bent u ooit eerder met de politie in aanraking geweest?” vraagt de rechter.

“Nee”, zegt Verschoor, “en zo wil ik het ook houden.”

Dan mag Verschoor eindelijk zijn verhaal vertellen. Hij en zijn zuster blijken de hoofdrolspelers in een familiedrama in kapitaalkrachtige kringen te Laren. Na de dood van de vader in 1991 was er onder de zeven kinderen een conflict losgebarsten over de nalatenschap. Geertje had zich een monopoliepositie toegeëigend als executeur-testamentair - een titel die haar door de anderen hevig betwist wordt. Zij zou voortdurend tegen de wensen van de boedelnotaris ingaan en de andere kinderen in de meest letterlijke zin buitensluiten: door het achterhouden van de sleutels ontzegde zij hun de toegang tot het ouderlijk huis.

Nadat hij herhaaldelijk tevergeefs geprobeerd had binnen te komen, werd het Verschoor te machtig. Hij meldde zich in haar kantoor en eiste de sleutels op, hetgeen conform de wens van de notaris zou zijn. Zij weigerde. Daarop vloog Verschoor haar aan met de woorden: “Jij hebt mijn vader vermoord.”

Die woorden wil hij tegenover de rechter wel toelichten. Graag zelfs.

“Ik heb haar niet op haar bek geslagen voor die sleutels”, zegt hij grimmig. “Mijn vader was vier maanden eerder overleden. Hij zat alleen thuis. Ik heb de laatste vier nachten als enige bij zijn bed gezeten, hoewel ik niet in de buurt woon. Zij wèl. Maar zij heeft hem bewust laten verrekken. Ze heeft gedacht: als-ie dood gaat, ben ik de baas. Mijn oudste broer heeft voorgesteld om haar een proces aan te doen wegens het opzettelijk verwaarlozen van onze zieke vader. Maar ik zei: dat kunnen we nooit bewijzen.”

“Zijn de problemen met uw zuster nu opgelost?” vraagt de rechter.

“Nee. Mijn contact met haar is nul. De afwikkeling van de nalatenschap speelt nog in volle hevigheid. Maar ik heb besloten om me er voortaan van alle zeven kinderen het minst mee te bemoeien.”

Kort voor de zitting had mr. M. Le Poole, de advocaat van Verschoor, een brief gekregen van de officier van justitie, mevrouw mr. C. Berkhout. Zij had de zaak wel willen intrekken, mits er inmiddels een verzoening tot stand gekomen was. De verdachte zou er eventueel kunnen afkomen met een schuldigverklaring zonder strafoplegging. Maar zó zijn de Verschoortjes niet gebouwd: een verzoening is nog ver weg. Beide partijen willen er niets van weten.

“Het is een onverkwikkelijke situatie”, zegt de officier. “De verdachte weet dat hij met zijn vingers van haar moet afblijven. Het slachtoffer bestookt nu het openbaar ministerie met brieven en foto's. Ik zal dat hier verder niet meenemen en het houden bij eenvoudige mishandeling. Ik vind de hele emotionele achtergrond betreurenswaardig, maar er moet toch een straf worden opgelegd: 150 gulden boete.”

De advocaat schudt mismoedig het hoofd. “De triestheid van deze zaak heeft me diep getroffen. Dit is nog maar het tipje van de sluier. Ik zou een boek over de achtergronden kunnen schrijven. Dat moet beginnen bij de dood van de vader. Het is onvoorstelbaar wat er daarna is gebeurd. Ik heb er begrip voor dat bij mijn cliënt de stoppen zijn doorgeslagen, al is dat geen rechtvaardiging voor de mishandeling.”

Straffen of niet straffen? Dat is de kwestie.

“Hij is geen gewelddadig man”, zegt de advocaat. “Hij heeft nu meer afstand genomen. De eis van de officier lijkt op een symbolische boete, maar het is toch een straf. Een evenwichtiger oplossing lijkt mij: schuldigverklaring zonder strafoplegging.”

“Het is gebeurd. Het had niet mogen gebeuren”, zegt de verdachte in zijn laatste woord.

De rechter acht de mishandeling bewezen. “Het is een pijnlijke familiekwestie”, zegt hij tegen Verschoor, “maar u moet uw handen thuis houden. U kunt uw zuster niet zó te grazen nemen. Ik ben het eens met de eis van de officier: 150 gulden boete of drie dagen hechtenis.”

Bij het verlaten van de zaal werpt Verschoor snel een blik op het persbankje. Tegen publikaties over deze zaak zal hij geen bezwaar hebben.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.