Duiven

Ik stond bij de bakker en ik wachtte op mijn beurt.

Voor mij stond een oude vrouw die minutenlang in de weer was tientallen stuivers uit haar portemonnee te pulken, die ze vervolgens keurig in het gelid op de toonbank legde. Ze droeg wollen handschoenen waar de vingers vanaf waren geknipt met rouwranden onder de nagels. Ze was op pantoffels en droeg een oude jas die aan de oorlog deed denken. Ik weet niet waarom, misschien kwam het door de schilfers roos op haar schouders. Ze rook bovendien een beetje, maar ik deed net alsof dat niet waar was. Toen ze eindelijk genoeg stuivers bij elkaar had, kreeg ze een heel gesneden volkoren, grof, en was ik aan de beurt.

Ik bestelde een halfje wit, Rotterdams.

"Knip', voegde ik er snel aan toe, want zo heet Rotterdams in Amsterdam. De oude vrouw in haar oorlogsjas schuifelde langs mij heen en liet de deur open staan. Het meisje achter de toonbank slaakte een zucht, terwijl ze mijn brood door de snijmachine haalde.

“Ach die mevrouw is een beetje gek”, zei ze verontschuldigend. Het duurde even voor ik me realiseerde dat ze het had over de vrouw met de stuivers. Ik was haar alweer vergeten, en ik had haast.

“Waarom?” vroeg ik, want ik vond haar aardig, het meisje achter de toonbank. Ze had mooie bolle wangen met kuiltjes, alsof ze in een polder was geboren en tegen de wind in fietsend was opgegroeid.

“Ze koopt iedere dag een heel brood en voert het aan de vogels”, antwoordde het meisje, en warempel, ze bloosde.

“Euheuh”, zei ik neutraal, gewend als ik ben aan gekken en dwazen.

“Ze houdt twee sneetjes voor zichzelf en geeft de rest aan de vogels, begrijpt u dat nou?”

“Nee”, zei ik, en ik betaalde gepast en maakte mij uit de voeten.

Onderweg naar huis zag ik haar zitten, die oude vrouw met haar brood. Ze zat op een bankje, het brood op schoot, ze voerde een zwerm duiven en had het hoogste woord.