Duitse veiligheid niet gediend met kernwapens

Duitsland heeft een nucleaire bescherming nodig, en daarom moet het juist geen kernmacht worden. Dit betoogt Michael Stürmer in een hoofdartikel, gisteren, in de Frankfurter Allgemeine Zeitung.

De manier waarop Duitsland zijn rol in de wereld definieert, is al evenzeer onderwerp van internationale aandacht geworden als de vraag welke landen aan het eind van deze eeuw over kernwapens zullen beschikken en met welk doel. Eén ding is duidelijk: Duitsland zal daar niet bij horen, op grond van het verleden, het gezonde verstand en het nationale belang.

Duitsland zal zich, zij het met tegenzin, moeten beperken tot de raketafweer binnen het bondgenootschap. Daarnaast moet rekening worden gehouden met deelname aan militaire missies van de VN en met het feit dat in de toekomst bedreigingen buiten het verdragsgebied van de NAVO te verwachten zijn. De optie om daartegen kernwapens in te zetten zou echter alleen maar tot onzekerheid leiden.

Het afzien door Adenauer van de produktie en het bezit van kernwapens hoorde bijna veertig jaar geleden tot de voorwaarden waarop Duitsland werd toegelaten tot de Westerse club. In ruil daarvoor schaarden de geallieerden zich in het Duitsland-verdrag achter het doel van de nationale eenheid van de Duitsers, zonder overigens in details van het grensverloop te treden. De Bondsrepubliek Duitsland verkreeg aldus een veiligheid die evenwel ten opzichte van de drie kernmogendheden in het bondgenootschap onlosmakelijk verbonden was met een ondergeschikte positie. Dat heeft haar politieke en economische opmars niet geschaad, maar juist gestimuleerd en bijgedragen tot het evenwicht in Europa.

Er zijn bij die opmars van de Bondsrepubliek tot economische grootmacht pogingen ondernomen toe te treden tot de kring van kernmogendheden. In 1958 werd met Frankrijk in het diepste geheim een samenwerking voorbereid die echter afketste op De Gaulle's nationale opvattingen over atoomwapens, op zijn uitgangspunt dat “kernmacht nauwelijks deelbaar is”. Een paar jaar later moest de "Multilateral Force' worden gesticht, een nucleaire zeemacht met inbegrip van de Duitsers. Het was de eerste vloot die zonk voor ze van stapel liep.

Sindsdien is binnen het Atlantische bondgenootschap de nucleaire planning op een bredere leest geschoeid, wat tot stabilisering leidde en Duitsland toegang verschafte tot de geheimen van de strategie en het proces van wapenbeheersing. De grote kernmachten beperkten evenwel met het non-proliferatieverdrag het aantal kernmogendheden sterk en Duitsland viel buiten de boot. De kernparaplu was gebaseerd op verdragen en op de stationering van Amerikaanse troepen in Duitsland, en uiteindelijk vooral op het gewicht en de positie van Duitsland binnen het bondgenootschap.

Dit systeem bleef overeind tot 1989. Blijft het intact, nu nog eens zes landen binnen korte tijd in staat zullen zijn zelf kernwapens te produceren en er, als de gegevens van de geheime diensten kloppen, voor het eind van de eeuw wel dertig kernmogendheden zullen zijn: grote en kleine, beschaafde en onbeschaafde, zuidelijke en noordelijke?

Ondanks alle omwentelingen is de oude logica niet veranderd. Tenslotte was het afzien van kernwapens door Duitsland in 1990 een elementaire voorwaarde voor de Duitse vereniging, wat het oosten betreft expliciet, wat het Westen betreft impliciet. Gezien de beroering over "nieuwe Duitse aanspraken' waartoe sindsdien het Duitse streven naar beëindiging van de burgeroorlog in Joegoslavië heeft geleid, kan men zich wel voorstellen wat een Duitse aanspraak op kernwapens zou losmaken. Maar voor zo'n politiek bestaan er noch redenen, noch argumenten en er zijn ook geen voorstanders van te vinden.

Sinds 1989 stevenen Oost en West af op een gemeenschappelijk nucleair veiligheidsbeleid. (...) Zo'n nieuwe broederschap krijgt gestalte in de Amerikaanse inspanningen om te voorkomen dat de kernwapens van de voormalige Sovjet-Unie niet in verkeerde handen vallen.

Wat verandert er daardoor voor het verenigde Duitsland? Veel - en tegelijkertijd ook weinig. De logica van het afzien van kernwapens is gebleven. Frankrijk heeft met zijn kernwapens de grenzen van zijn strategisch en politiek prestatievermogen bereikt; dat strekt niet tot voorbeeld, al helemaal niet voor de Duitsers. Als kernland van de NAVO valt de Bondsrepubliek, zolang het bondgenootschap bestaat, onder haar bescherming. Het Europese systeem berust echter niet in de laatste plaats op de asymmetrie van de positie van Duitsland, dat op nucleair gebied nauwelijks meetelt, maar economisch en politiek des te meer.

De nucleaire strategie verandert. Het non-proliferatiekartel van de kernwapenbezitters tegen de rest van de wereld is niet meer gesloten. De afschrikking is anders geworden, opener en onveiliger. Toch moet de Duitse veiligheid niet in het bezit van kernwapens worden gezocht. Kernwapens in Duitse handen zouden de militaire veiligheid niet verbeteren, maar zouden wel de morele, politieke en economische positie van Duitsland vanaf het begin in de kern treffen en het Europese veiligheidssysteem ontwrichten. Het zou de moderne variant zijn van het isolationisme, dat admiraal Tirpitz honderd jaar geleden inleidde met zijn programma voor de bouw van slagschepen.

Duitsland heeft, ook onder de nieuwe verhoudingen, een nucleaire bescherming nodig, en die kan alleen van het bondgenootschap komen. Daarmee echter zijn de niet-nucleaire status van Duitsland en het voortbestaan van het bondgenootschap politiek met elkaar verbonden. Wie het ene wil, kan niet zonder het andere.