Door Nasa voorspelde ozongat kwam er niet

ROTTERDAM, 7 APRIL. Het door de NASA voorspelde diepe "ozongat' boven het noordelijk halfrond is er niet gekomen. Wel was de ozonlaag boven Noord-Europa in december en januari dunner dan hij ooit sinds het begin van de metingen is geweest. Boven sommige meetstations in Noord-Europa lag het kolom-totaal ozon in deze maanden 10 tot 20 procent lager dan gedurende dezelfde periode in voorgaande jaren.

Dat is vanmiddag bekend gemaakt op een persconferentie in Brussel van de EASOE, het European Arctic Stratospheric Ozon Experiment. Binnen EASOE hebben onderzoekers uit de EG en de EVA (Europese Vrijhandels Associatie) van half november tot eind maart onderzoek verricht aan de chemie van de lagere stratosfeer boven Noord-Europa. Doel was meer inzicht te krijgen in de tot nu slechts gedeeltelijk begrepen afbraak van de ozon in de stratosfeer en de rol die chloorfluorkoolstof-verbindingen (cfk's) en halonen daarin spelen. De ozonlaag in de stratosfeer vertoont zowel een verontrustende trendmatige teruggang als een jaarlijks terugkerende, korte, heftige aantasting boven de poolstreken. Het ozonverlies in oktober en november boven de Zuidpool staat bekend als "het ozongat'. Tot dusver werd vermoed dat het ozon vooral wordt aangetast door chloor en broom uit cfk's en halonen. De ozonlaag speelt een belangrijke rol in de bescherming van planten, dieren en microorganismen tegen UV-B straling.

Gepoogd is metingen in de lage stratosfeer zèlf (met hulp van speciale vliegtuigen en balonnen) te relateren aan de kolom-totaal metingen zoals die al lange tijd plaats vinden vanaf vaste meetstations op aarde en vanuit satellieten (in het bijzonder de NASA Nimbus-7 satelliet met de TOMS-spectrometer). Een belangrijke uitkomst van het EASOE-onderzoek is dat er een onbevredigende correlatie gevonden werd. Daarmee is de kwetsbaarheid van de tot dusver gehanteerde ozonmodellen opnieuw aangetoond.

De EASOE-onderzoekers hebben, zoals zij en de NASA al eerder bekend maakten, vastgesteld dat de chemische samenstelling van de stratosfeer deze winter sterk afweek van het gebruikelijke patroon. Dat wordt vooral toegeschreven aan de uitbarsting van de vulkaan Pinatubo die veel stof en vloeistofdruppeltjes ("aerosol') in de stratosfeer bracht. Los daarvan of in samenhang ermee vond men hoge concentraties actieve chloorverbindingen (die ozon kunnen aantasten) en lage concentraties stikstofoxyden (NOx, die het actieve chloor in minder agressieve verbindingen kunnen omzetten). Vooral waar veel Pinatubo-aerosol werd aangetroffen lag de concentratie NOx laag.

Opvallend is dat de EASOE de waargenomen lage ozonconcentraties in de eerste plaats toeschrijft aan de afwijkende meteorologische situatie van de afgelopen winter. In de onderzoekperiode heerste boven Noord-Europa een abnormale hoge luchtdruk die altijd tot lage ozonlaagdiktes leidt. In de tweede plaats verwacht de EASOE een grote invloed van het Pinatubo-stof en (zwavelzuur-)aerosol waardoor de lage stratosfeer minder opwarmt dan gewoonlijk. Pas in de derde plaats worden de extreem hoge concentraties van actief chloor als verklaring opgevoerd.

Onduidelijk is hoeveel ozon door dat chloor is vernietigd. Op het moment dat de concentraties chloor het hoogst waren, was er nog te weinig zonlicht om de gevaarlijke reacties (die licht vereisen) lang in stand te houden.

Op 3 februari meldden onderzoekers van de NASA heeft, dat dermate hoge concentraties chloormonoxyde (ClO) waren gevonden dat te verwachten viel dat de ozonlaagdikte boven het noorden van het noordelijk halfrond wel met 40 procent zou teruglopen. Later heeft de NASA de ClO-waarden belangrijk bijgesteld. Nu is dus komen vast te staan dat de ozonlaag op het moment van zijn persconferentie zijn geringste dikte al had bereikt.