De beheersing van héél het varken

De Nederlandse varkenssector zit diep in de problemen. Er is een overcapaciteit aan slachthaken, terwijl de consument steeds minder varkensvlees eet. Een betere kwaliteit moet het antwoord vormen op het negatieve imago van varkensvlees. Kwaliteit is echter pas te leveren als een bedrijf de hele keten onder controle heeft; van embryo tot karbonade.

De coöperaties Cehave in Veghel en Encebe in Boxtel kondigden onlangs aan dat ze fusieplannen hadden. Cehave is, met een omzet van twee miljard gulden per jaar het grootste mengvoerbedrijf van West-Europa. Encebe is de grootste slachterij van Nederland met een omzet van anderhalf miljard gulden en negentigduizend varkens per week.

Bij de operatie is ook de particuliere slachterij Lunenburg betrokken, eigendom van beide bedrijven en de Rabobank. Naast financiële motieven spelen de bedrijven met de fusie ook in op de wens tot integrale ketenbeheersing: het sturen van het produktieproces van vlees - van mengvoer tot en met vleesprodukt.

Nederland produceert jaarlijks zo'n twee miljoen ton varkensvlees. Dat komt overeen met zo'n twintig miljoen varkens (ongeveer honderd kilo per varken). De totale waarde van de Nederlandse varkensproduktie is zo'n acht miljard gulden. De export bedraagt jaarlijks zo'n zes miljard gulden.

Nederland is relatief de grootste varkensproducent van de EG. Toch heeft de sector grote problemen. De consument eet steeds minder varkensvlees; de consumptie daalde met tien procent in 1989 en met ongeveer twee procent in 1990. Ook het aantal varkens daalt, mede als gevolg van de mestwetgeving. Gevolg is dat er een overcapaciteit is aan slachthaken. Volgens een, overigens nog niet geaccepteerd voorstel van het Produktschap Vee en Vlees zouden in Nederland zo'n 70.000 slachthaken (tien procent van het totaal) moeten verdwijnen om de sector weer enigszins gezond te maken.

Een belangrijk financieel motief voor de fusie tussen Cehave en Encebe is het verlies dat de slachterijen Encebe en Lunenburg vorig jaar hebben geleden. In totaal bedroeg dat verlies 45 miljoen gulden, omgerekend een tientje per varken. In landbouwkringen wordt de aangekondigde fusie dan ook veeleer gezien als een overname van Encebe door Cehave dan als een fusie tussen twee gelijkwaardige partners. Cehave heeft, als mengvoerleverancier, groot belang bij een gezonde varkenssector.

Een ander motief voor de "samenwerking' is, dat Encebe geld nodig heeft voor het ontwikkelen van kwaliteitsprodukten. Produkten die op den duur als merkartikel moeten worden afgezet. Het ontwikkelen en lanceren van een merk is duur. Hoe duur, durft niemand zich af te vragen, maar dat het in de miljoenen gaat lopen - alleen al voor Nederland - is niet onwaarschijnlijk. Geen enkele slachterij in Nederland kan dat opbrengen.

In de hal van de Cooperatieve Vee en Vleescentrale Encebe in het Brabantse Boxtel staat, naast een fraai gestileerde crucifix een plastiek met daarop de mededeling, dat het bedrijf beschikt over een systeem voor het waarborgen van de kwaliteit van zijn produkt. Het kwaliteitssysteem voldoet aan de daarvoor gestelde ISO 9002-norm, zo is vastgesteld door Lloyd's Quality Assurance. Op de produkten van Encebe rust dus ook de zege van de kwaliteitscontroleurs uit Londen.

Het plastiek illustreert de omslag die de afgelopen jaren heeft plaatsgehad in de Nederlandse varkenshouderij. Het streven om zoveel mogelijk kilo's vlees te produceren tegen zo laag mogelijke kosten, maakt plaats voor het streven om kwaliteit te leveren.

Volgens directeur ir. Toon Wassenberg van de Encebe is het leveren van kwaliteitsprodukten een noodzaak voor de Nederlandse vleessector. “Als we alleen moeten concurreren op de prijs, dan leggen we het af”. Belangrijke concurrenten voor de Nederlandse varkenssector zijn de Zuideuropese landen. Ook in Duitsland neemt het aantal slachthaken in snel tempo toe, terwijl op de wat langere termijn de landen van Oost-Europa zeer wel in staat moeten worden geacht om een behoorlijke varkensproduktie op poten te zetten.

Pag.18: "Vlees is nu een amorf produkt'; "Een goed varken is niet alleen goed bevleesd, maar ook prettig in de omgang'

Om de concurrentie te weerstaan zijn de Nederlandse vleesbedrijven naarstig bezig met het ontwikkelen van merken. Daarmee proberen ze de herkenbaarheid van hun produkt te vergroten. Zo heeft Encebe bij wijze van proef, samen met CHV en varkensbedrijf Houbensteyn uit het Limburgse Ysselstein, vlees ontwikkeld dat onder de naam "Farmers Best' via Albert Heyn op de markt wordt gebracht. Een merkvlees, dat een bepaalde smaak krijgt doordat de varkens enkele maanden gevoerd worden met een mengsel van granen en speciale produkten.

Slachterij Coveco hanteert al sinds enige tijd het merk "Good Farming' en Hendrix (een particuliere slachter) werkt met de merknaam "Het gulle Varken'. Dat merk wordt via de Keurslagers op de markt gebracht. Lunenburg Slachterij heeft nog geen eigen merk.

“Op dit moment is vlees een saai en amorf produkt”, zegt prof. dr.ir. Joost Steenkamp, hoogleraar marketing in Wageningen. “Het straalt weinig uit naar de klant, het heeft geen emotionele waarde. Door er een merkartikel van te maken geef je het een extra waarde.”

“Waar we naar toe moeten”, aldus Rene Verberk, marketing man van mengvoercoöperatie Cehave, “is een situatie waarin de huisvrouw vraagt om een stuk vlees van een bepaald merk, zoals ze vraagt om Douwe Egberts koffie”. Voorlopig is het nog lang niet zover. De afzet van merkvlees is gering. Encebe verwerkt 1.000 à 1.500 merkvarkens, iets meer dan één procent van de 90.000 varkens die er wekelijks "doorheen' gaan.

Het ontwikkelen en poneren van een merk gaat de financiële mogelijkheden van afzonderlijke slachterijen te boven. Volgens Steenkamp van de Landbouwuniversiteit zullen de slachterijen moeten samenwerken om merkvlees te kunnen lanceren. “In de eerste plaats”, zegt hij, “kunnen ze het afzonderlijk niet betalen. En op de tweede plaats kan ik garanderen dat als er tien verschillende merken varkensvlees worden ontwikkeld de meerderheid het niet zal halen”.

De ervaringen in Duitsland hebben geleerd, dat het plakken van een etiket op een stuk vlees niet genoeg is om er een merk van te maken. Op een gegeven moment lagen er wel dertig of veertig merken vlees in de Duitse supermarkten. Het gevolg was, dat varkensvlees weer net zo anoniem werd als voorheen. “Een merkprodukt moet zich op enigerlei wijze onderscheiden van andere produkten”, zegt Steenkamp. “Bovendien moet je dat ook nog overdragen naar de klant via reclame.”

“Om een merk te kunnen lanceren”, bevestigt Wassenberg van Encebe, “moet je eerst een basis hebben. Pas als je alle schakels in de keten op elkaar hebt afgestemd, kun je de zaak gaan sturen. Op die manier kun je je produkt gaan afstemmen op de wensen van de consument”.

Naast voorzichtige pogingen met merkvlees is de Nederlandse varkenshouderij daarom ook bezig met het opzetten van systemen voor kwaliteitszorg. Het plastiek in de hal van Encebe is er een eerste illustratie van. Om in ieder geval een minimum kwaliteit varkensvlees te garanderen, heeft het Produktschap Vee en Vlees (PVV) eind vorig jaar een IKB-norm voorgesteld. IKB staat voor Integrale Keten Beheersing.

De IKB-regeling van het PVV richt zich vooral op de hygiëne bij huisvesting en transport, op het vermijden van residuen van medicijnen in vlees en op de registratie van onder meer inentingen en medicijngebruik. Ook mogen IKB-varkens alleen nog maar worden gevoerd met IKB-voer. Albert Heyn heeft onlangs laten weten in de nabije toekomst alleen nog maar IKB-vlees te willen inkopen. Het ziet er dan ook naar uit dat de IKB-regeling, hoewel vrijwillig, in de nabije toekomst de minimum-standaard zal worden voor Nederlands varkensvlees.

“De IKB-norm van het Produktschap is een produktienorm”, stelt Wassenberg van de Encebe. “Het geeft aan wat je moet doen om onveilige produkten te vermijden. Wij willen verder gaan. Onze produkten moeten niet alleen voldoen aan eisen van hygiëne en veiligheid, maar moeten ook aan bepaalde specificaties voldoen op het gebied van malsheid, houdbaarheid, kleur en waterbindend vermogen.”

Om dat te realiseren is Encebe vorig jaar begonnen met het zogeheten Programmavlees. Daarbij worden veel verder gaande eisen gesteld dan bij de IKB-norm. Niet alleen aan voer en hygiëne, maar bij voorbeeld ook op het gebied van welzijn. Zo mogen zeugen niet zijn aangebonden en moet een deel van de stal een gesloten vloer hebben in plaats van een betonnen rooster, zodat de varkens fatsoenlijk kunnen liggen.

Mengvoerbedrijf Cehave is inmiddels eveneens bezig met het verkrijgen van een ISO 9002 certificaat. Bij zo'n certificaat komt echter nog heel wat kijken. “Anders dan de meeste bedrijven”, zegt Verberk, “voeren wij ook controles op de voergrondstoffen uit in het land van herkomst, zowel bij de boer, als bij de (tussen)handel. Bij aankomst in Nederland worden de grondstoffen nogmaals geïnspecteerd op eventuele ongerechtigheden, zoals restanten van bestrijdingsmiddelen. Ook gaat Cehave nauwkeurig na wat de samenstelling van de grondstof is. Op die manier probeert men, ondanks de verschillende grondstoffen, een zo constant mogelijk eindprodukt te produceren”.

Voer is maar een deel van het verhaal. De uiteindelijke kwaliteit van het vlees wordt voor pakweg 25 procent bepaald door het fokmateriaal, het soort varken dus, voor tien procent door het voer en voor meer dan zestig procent door huisvesting, verzorging, transport en verwerkingsproces.

Cyriel en Tiny Franken nemen met hun bedrijf, gelegen in het Brabantse Spoordonk bij Oirschot, deel aan het Encebe-programma. De familie Franken verzorgt 80 zeugen en 700 mestvarkens. Veel extra investeringen hebben ze er niet voor hoeven doen, zegt Cyriel Franken. Het enige dat nog ontbrak was een hygiëne-sluis per afdeling. Aldaar moeten bezoekers zich omkleden in een overall en laarzen. Verder moest Franken een "daglicht-regime' aanbrengen bij de mestvarkens, die tot dan toe in het donker zaten. Ook het welzijn van de dieren schijnt van invloed te zijn op de kwaliteit van het vlees. Bovendien is "welzijn' natuurlijk een extra verkoopargument. Scharrelvarkens vormen wat dat betreft een goed voorbeeld.

Franken heeft wat men in de branche noemt een "gesloten' bedrijf; de biggen die zijn tachtig zeugen leveren worden door hemzelf gemest. Het grote voordeel van een gesloten bedrijf is dat de kans op ziekte veel kleiner is; er komen geen varkens van andere bedrijven.

Voor hij gevraagd werd om deel te nemen aan Programmavlees was Franken al voor honderd procent overgeschakeld op het varkensras Coosta. Dit ras, een kruising van Finse Landras en Nederlandse Landras is ontwikkeld door Encebe-dochter Prova in samenwerking met het Varkensstamboek en vormt samen met Ensta (een kruising van Groot Yorkshire en Nederlands Landras) de basis voor Programmavlees.

“Een goed varken”, meent Franken, “is niet alleen goed bevleesd, maar is ook gemakkelijk in de omgang. Bovendien is het een excellente moeder die veel melk geeft. Het enige nadeel is, dat "berigheid' bij de zeug moeilijk is vast te stellen.” Voor het bevruchten van de zeugen mag hij overigens alleen sperma gebruiken dat afkomstig van zogeheten Programma-beren.

De controle op het doen en laten van Franken is groot. Regelmatig komt de vertegenwoordiger van Encebe langs om aan de hand van een uitgebreide "checklist' de stal door te lopen. Verder komt er om de paar weken een vertegenwoordiger van de mengvoerfabrikant. De dierenarts komt zelfs elke week.

Alle dierenartsen in Brabant hebben inmiddels een contract getekend met Encebe in het kader van Programmavlees. In dat contract is vastgelegd welke handelingen zij bij de dieren kunnen verrichten, welke medicijnen en inentingen zij mogen uitvoeren. Ook daarvoor gelden strenge regels. Zo mogen er geen medicijnen worden toegediend om de groei te bevorderen. Ook het tijdstip van toedienen is van belang. Franken laat zien dat een bepaald medicijn, een antibioticum, zestig dagen voor levering niet meer mag worden toegediend. Dat terwijl op het etiketje van de fabrikant staat dat het nog tot zes dagen voor aflevering mag worden toegediend.

Niet alleen heeft Franken regelmatig bezoek, hij moet ook een omvangrijke administratie bijhouden. Op de keukentafel liggen een stuk of zes ordners, die formulieren bevatten die regelmatig moeten worden ingevuld. Zo is er een medicijnenregistratiekaart, waarop precies wordt aangegeven welke dieren welke medicijnen hebben gekregen en wanneer. Er is een ordner met voerbonnen, waarop de samenstelling van het geleverde voer is vermeld. En er is een bezoekerslogboek, waarin bezoekers aantekenen wanneer ze zijn geweest en waarvoor.

De voorschriften, de controles en de uitgebreide administratie zijn voor veel varkenshouders moeilijk te verteren. Ze voelen zich aangetast in hun vrijheid als ondernemer. Franken kijkt daar wat anders tegenaan. “Als je kwaliteit wilt garanderen, is het gewoon noodzakelijk”, meent hij. “Bovendien staat er ook een en ander tegenover. Per goedgekeurd varken krijgen we 6,50 gulden extra. Ongeveer tachtig procent van de varkens die ik aanlever wordt goedgekeurd. De rest is of te zwaar, of te licht”.

Op een varkensprijs van ruim driehonderd gulden per varken lijkt dat niet veel, maar het is al gauw eenderde of de helft van wat een boer aan een varken verdient. Bovendien, zo zegt Franken, bespaar “ik ook nog eens een paar gulden per varken door een betere bedrijfsvoering. Mijn medicijnengebruik bij voorbeeld is vergeleken met een jaar geleden verminderd tot eenderde”.

De varkenssector maakt zich op om de kwaliteit van het Nederlandse varkensvlees niet alleen te verbeteren maar ook herkenbaar te maken. Over niet al te lange tijd zal de consument dus uit net zoveel merken vlees kunnen kiezen als nu uit merken koffie.

De fusie tussen Cehave en Encebe past in dat streven. Op korte termijn zal de fusie tot besparingen leiden bij het beheren van de keten van boerderij tot winkeldeur. Op de langere termijn is de fusie noodzakelijk om de enorme bedragen die nodig zijn voor het ontwikkelen van merkvlees op te kunnen brengen.