Binnen Europa is vrij verkeer van studenten nodig

Hoewel in het hoger onderwijs internationalisering in de mode is en het Hof van Justitie van de EG dit keer op keer bevestigt, doet Den Haag alsof onderwijs uitsluitend een nationale zaak is.

Nog geen half jaar geleden - op 26 augustus 1991 - betrok minister Ritzen zijn stelling ten aanzien van Europees recht en onderwijs. In een brief aan de Tweede Kamer schreef hij dat de inrichting en financiering van het onderwijs evenals het vaststellen van minimumnormen, in handen moeten blijven van de afzonderlijke lidstaten.

Nederland staat hierin niet alleen. Onderwijs is voor minstens de helft van de lidstaten een gevoelig nationaal goed. Beslissingen die raken aan de culturele en religieuze identiteit worden niet graag overgedragen. Dit staat haaks op de ambitie van de Europese Commissie om een Europees onderwijsbeleid te voeren. De laatste jaren heeft Brussel tal van initiatieven genomen. En niet zonder succes. De vraag is dan ook of de defensieve houding van de lidstaten wel gerechtvaardigd is.

Al bieden de Europese verdragen weinig bevoegdheid tot het voeren van een onderwijsbeleid, het is niet zo dat onderwijs niets met de doelstellingen van de Gemeenschap te maken heeft. Goed geschoolde Europese burgers zijn immers producenten binnen de gemeenschappelijke, Europese markt. En waar het EEG-verdrag vrij verkeer van personen tot doel heeft en dit voor werknemers al daadwerkelijk bestaat, ligt het voor de hand dat toekomstige werknemers, de huidige studenten, die mogelijkheid ook krijgen.

De weinige mogelijkheden die het verdrag biedt voor het voeren van een onderwijsbeleid heeft de Europese Commissie goed benut. Diverse uitwisselingsprogramma's van studenten en docenten kwamen reeds van de grond. Daarnaast werd voortgang geboekt op het terrein van de onderlinge erkenning van diploma's.

Een vrij verkeer van studenten in de EG wordt, ondanks de smalle juridische basis, door de Commissie nagestreefd. Het Hof van Justitie ondersteunt deze initiatieven in zijn rechtspraak. Verschillende hobbels werden al genomen. Vrij verkeer van studenten vereist recht op toegang tot de onderwijsinstelling, recht op financiering van de studie en recht op verblijf in de vreemde lidstaat. Het recht op toegang tot onderwijsinstellingen op dezelfde voorwaarden als de nationale studenten, werd al in 1985 door het Hof gegarandeerd. Discriminatie door het heffen van collegegelden die in hoogte uiteenlopen zoals voorheen in België gebruikelijk, werd toen verboden. Als Belgische studenten een beurs voor college- en inschrijfgeld krijgen, dan hebben bijvoorbeeld Nederlandse en andere EG-studenten die in België studeren, daar ook recht op. Het argument dat de Belgische regering destijds aanvoerde dat voor buitenlandse studenten geen Belgische belasting is betaald waaruit onderwijsvoorzieningen worden bekostigd, werd door het Hof terzijde geschoven.

Met de studiefinanciering van kosten voor levensonderhoud ligt het moeilijker. Een Nederlandse student die een jaar in Barcelona gaat studeren, behoudt de ov-jaarkaart en studiebeurs. De ov-kaart is helaas niet bruikbaar in Spanje. Maar voor de korting op de beurs wordt geen compensatie gegeven.

Gezien de verschillende stelsels van studiefinanciering is de ene Europese student beter af dan de andere. Er is nu gelijkheid in beurzen voor collegegeld, maar nog steeds ongelijkheid bij de overige studiefinanciering. Dit doet gekunsteld aan. Ook al omdat bijvoorbeeld met de Nederlandse basisbeurs zowel colleges als levensonderhoud moeten worden betaald.

Het Europese Hof maakte onlangs uit dat Europese studenten een verblijfsrecht hebben voor de duur van hun studie. Lidstaten zouden hier overigens hoe dan ook al per 30 juni 1992 door een EG-richtlijn zijn gebonden. Beperking van het verblijfsrecht op grond van onvoldoende dekking van levenskosten door de student. blijft dus mogelijk. Ook hier geldt ongelijkheid: vrij verkeer is niet voor alle Europese studenten weggelegd.

Studenten die kinderen zijn van EG-burgers die in het buitenland werken, of zelf al in een ander EG-land hebben gewerkt, kunnen beter profiteren van Europese regelgeving dan anderen. Zij hebben namelijk wel aanspraak op dezelfde voorzieningen als nationale studenten. Het Hof bepaalde bijvoorbeeld nog onlangs dat een Italiaanse studente die in Nederland was opgegroeid omdat haar vader hier werkt, recht heeft op Nederlandse studiefinanciering voor een studie in Napels.

Met zijn uitspraak bevestigt het Hof keer op keer dat onderwijs een beleidsgebied van de EG is. Daarmee verliezen de lidstaten steeds meer van hun bevoegdheid op dit terrein. Hoe ver zal dit gaan? Blijven de inrichting en bekostiging van het onderwijs wel een nationale zaak? En hoe staat het met de zorg voor de kwaliteit van het onderwijs? Universiteiten en hogescholen passen hun studieprogramma's al aan: onderwijs wordt in het Engels verzorgd om ook buitenlandse studenten een programma te kunnen bieden. Nederlandstalig onderwijs wordt parallel aangeboden, veelal op een hoger niveau. Op de lange termijn is dit niet efficiënt: wie wil meedingen op de grote markt van Europese studenten, kan dan maar beter zijn gehele onderwijscurriculum in het Engels aanbieden. Er moet geconcurreerd worden met andere universiteiten. Taal is daarbij belangrijk. Wellicht is het nog aantrekkelijk om Engels, Spaans of Duits te leren, maar hoeveel studenten willen Nederlands leren voor een paar maanden studie hier?

Ook is het al zo dat in het buitenland gevolgde studie-onderdelen worden erkend als onderdeel van het nationale onderwijsprogramma. Maar het zal niemand verwonderen dat de kwaliteit van het onderwijs in de verschillende lidstaten uiteen loopt. Het erkennen van een in het buitenland behaald resultaat als onderdeel van het nationale studieprogramma biedt geen garantie voor kwaliteit.

Nu onderwijsbeleid steeds meer een Europese zaak wordt is afstemming van studiefinanciering voor studenten die in het buitenland (een ander EG-land) gaan studeren urgent. Nog urgenter is een Europese kwaliteitsbewaking bij erkenning van in een andere lidstaat gevolgde studie-onderdelen. Hoger onderwijs is nu nog een zaak van nationaal belang. Maar als daarover steeds meer in Brussel wordt beslist, is het beter daar actiever te zijn dan hier tegen de wind in te roepen dat het beleid alleen in Zoetermeer wordt gemaakt.