Val Bor zware slag voor Soedanees verzet

KHARTOUM, 6 APRIL. De val van de stad Bor vormt de grootste militaire tegenslag voor de zuidelijke opstandelingenbeweging in Soedan, het SPLA, in de negen jaar oude oorlog tegen de regering in Khartoum.

Alle bravoure in het weekeinde van SPLA-vertegenwoordigers dat “wij ons slechts uit strategische overwegingen uit Bor terugtrokken” kan de pijnlijke waarheid voor de rebellen niet verhullen: het SPLA blijkt niet meer in staat zijn grondgebied te verdedigen. Na reeksen overwinningen in de afgelopen negen jaar had het SPLA de facto een eigen staat gecreëerd in Zuid-Soedan. De gedemoraliseerde regeringstroepen hadden zich bij dit voldongen feit neergelegd, de oorlog laaide alleen dan op wanneer het SPLA zijn grondgebied probeerde uit te breiden. Voor het eerst in negen jaar is het initiatief nu weer aan het regeringsleger.

Daarmee is niet gezegd dat de regeringssoldaten op het punt staan het SPLA te verslaan, zoals de Soedanese militaire president, Beshir, zijn aanhangers in de laatste weken heeft voorgehouden. Zelfs de grootste haviken in de hoofdstad Khartoum geloven niet in een militaire oplossing van het conflict. “Deze oorlog kan alleen worden beëindigd door onderhandelingen”, zei dezer dagen Mohamed al Amin Khalifa, voorzitter van het onlangs benoemde parlement in Khartoum en tot voor kort belast met vredesbesprekingen met het SPLA. “Het enige doel van dit offensief is om ons een veilige doorgang te geven naar de omsingelde stad Juba. Het wordt veel te duur om alles naar Juba te moeten vliegen.”

Versterkt met nieuwe, door Iran betaalde, wapens en door de aanwezigheid van Iraanse militaire adviseurs begon op 28 februari het regeringsleger met een aanval op drie fronten. Vanuit Malakal rukte het op naar het oosten, waar het Pochala veroverde. Naar ooggetuigen vertellen hielp de Gambela Volks- bevrijdingsbeweging (GPLM) uit het aangrenzende Ethiopië de Soedanese soldaten een handje. De eerste soldaten die Pochala binnenkwamen spraken geen woord Arabisch, pas na enkele uren arriveerde het Soedanese leger. Het GPLM is een bondgenoot van de nieuwe machthebbers in Ethiopië en voerde al eerder strijd met het SPLA toen de Soedanese rebellen nog vanaf Ethiopisch grondgebied mochten opereren.

Vanuit Wau proberen regeringssoldaten noordwaarts naar Aweil te trekken. Verder begaf het leger zich zuidwaarts over en langs de Nijl richting Bor. Twee keer slaagde het SPLA erin de aanval af te slaan en een boot te vernietigen. Het SPLA zegt zich uit Bor te hebben teruggetrokken omdat de regeringssoldaten over chemische wapens zouden beschikken.

Het middelgrote Bor fungeerde als een belangrijk militair centrum voor het SPLA en was het startpunt voor distributie van voedselhulp via de Nijl. Bor vervult bovendien een grote symbolische functie. Een muiterij in het regeringsleger in Bor in 1983 was het officiële startsein voor de zuidelijke rebellie. SPLA-leider John Garang werd bij Bor geboren.

“De moerassen en de muggen zullen jullie afmaken”, waarschuwde John Garang de regeringstroepen onlangs. Wanneer het over een paar weken weer gaat regenen in Zuid-Soedan kan het SPLA terugslaan tegen de regeringsstrijdkrachten, die zich met hun zware militaire materieel moeilijk kunnen bewegen in het dan modderige landschap. Misschien valt Bor binnen enkele maanden weer onder controle van Garang.

Vriend en vijand van het SPLA in Khartoum zijn het er over eens dat de tweespalt die sinds enkele maanden de guerrillabeweging verdeelt, en de val vorig jaar van de Ethiopische president en SPLA-vriend Mengistu, de oorzaken vormen voor de militaire verzwakking van de rebellen. In diplomatieke kringen in Khartoum bestaat er geen twijfel over dat de afgesplitste SPLA-factie en de regering heimelijk samenwerken tegen Garang. De afgesplitste rebellen onder Riek Machar en Lam Akol blijven dit echter bij hoog en laag ontkennen.

Alleen in het gebied dat nog door het oorspronkelijke SPLA van Garang werd beheerst behaalde het regeringsleger in de afgelopen weken overwinningen. De afgesplitste rebellen zeggen echter wel degelijk nog tegen het regime in Khartoum te vechten en op enkele fronten slaags te zijn geraakt met regeringssoldaten.

De hevige gevechten leiden intussen tot een grote vluchtelingenstroom. Tienduizenden ontheemden wijken uit naar de Centraalafrikaanse Republiek of trekken naar gebieden in het uiterste zuiden van Zuid-Soedan die nog onder controle vallen van Garangs troepen. Buitenlandse hulporganisaties kunnen in de legaliteit niets doen voor deze slachtoffers. Op 1 maart trok de regering in Khartoum alle vergunningen in voor hulpverleners om voedsel af te leveren in rebellengebied.