Touwtrekken om afvoer zinkafval

ROTTERDAM, 6 APRIL. Rotterdam raakt het maar niet kwijt. In de haven staat een silo met 1700 ton zinkafval, ruim een jaar geleden illegaal opgeslagen door het Duitse handels-, transport- en afvalverwerkingsbedrijf HTA. Het ministerie van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu (VROM) probeert nu een dwangsom van anderhalf miljoen gulden te innen. HTA is inmiddels failliet, volgens directeur W. Stork door toedoen van een machtige concurrent.

Op 18 januari vorig jaar liet HTA, een kleine handelsfirma met een omzet van tien miljoen mark, "zinkhoudende reststoffen' opslaan bij het Rotterdamse overslagbedrijf Frans Swarttouw, in afwachting van verscheping naar Polen. In dat land zou de staatssmelterij Boleslaw het materiaal verwerken tot zink-, cadmium- en loodblokken. “Het is een hele normale operatie, economisch zeer aantrekkelijk”, benadrukt Stork. Uit de overige afvalstoffen ontstaan slakken, bruikbaar in de bouw. De metaalblokken verkoopt HTA in Duitsland, bij voorbeeld aan de auto-industrie.

“Wij hadden in juli 1989 een contract getekend met de Poolse fabriek. Op basis daarvan exporteerden wij een jaar lang naar Polen.” Eerdere transporten via Rotterdam waren volgens hem probleemloos verlopen. Een kwestie van geluk, meent VROM-woordvoerder P. van den Burg. “De Rotterdamse haven is zo groot, we kunnen niet alles controleren.”

Het ministerie van VROM, gewaarschuwd door Greenpeace, liet de lading onderzoeken. Volgens het departement bleken de percentages cadmium en arseen acht- tot tienmaal hoger dan wettelijk toegestaan, het chroomgehalte was zelfs 22 maal hoger. Dit materiaal wordt in Duitsland aangemerkt als "economisch goed', omdat het nog kan worden verwerkt. In Nederland wordt het beschouwd als afval wegens het hoge gehalte aan zware metalen.

Bij controle bleken de papieren te ontbreken die Nederland eist voor in-, uit- en doorvoer van afval. Stork zegt over bewijzen te beschikken dat zijn expediteur die documenten wel degelijk heeft gekregen. VROM nam niettemin contact op met de Poolse autoriteiten, die verklaarden de partij niet te willen hebben.

Minister Alders van VROM gaf HTA in februari 1991 opdracht het zinkafval af te voeren, hetzij naar Duitsland, hetzij naar een andere bestemming. Als dit op 1 januari 1992 niet gebeurd zou zijn, zou VROM een dwangsom opeisen van 50.000 gulden per dag, met een maximum van anderhalf miljoen gulden. De minister is daartoe bevoegd onder de Wet Algemene Bepalingen Milieuhygiëne.

Pogingen om naar de voormalige Sovjet-Unie te exporteren werden door VROM gefrustreerd, aldus Stork. “Wij hadden een intentieverklaring van een zinksmelterij in dat land ontvangen”, vertelt hij. “Maar VROM speelde deze vertrouwelijke informatie door aan de pers. Toen kregen wij opnieuw negatieve publiciteit en wilde de Sovjet-Unie het materiaal ook niet meer.”

VROM wijst de beschuldiging van de hand. De Sovjet-Unie had al eerder soortgelijk materiaal geweigerd, aldus Van den Burg. HTA had eveneens zonder resultaat geprobeerd het materiaal te exporteren naar Bulgarije.

Het ministerie wil nu de dwangsom innen. Dwangbevelen zijn in voorbereiding. Hoewel HTA failliet is, zal VROM zowel het bedrijf als Stork aansprakelijk stellen. “Een dergelijke aanpak komt ook veel voor in processen wegens bodemverontreiniging”, aldus Van den Burg.

Stork wacht die procedure af. Hij zegt zelfs op persoonlijke titel de lading zinkafval te willen terugnemen, maar niet onder dwang. Eerst moet hij zijn recht hebben. Dat ligt niet alleen in Nederland, zegt hij, maar ook in Duitsland. De kwade genius achter zijn moeilijkheden en het bankroet van HTA is volgens hem de Duitse Metallgesellschaft, een groot concern dat allerlei metalen verhandelt en verwerkt.

De campagne van Greenpeace in Polen tegen afvalimport zou zijn ingefluisterd door Berzelius Umwelt Service (BUS), een dochter van de Metallgesellschaft. Stork: “De Metallgesellschaft had in Europa het monopolie over de verwerking van "zinkhoudende reststoffen'. Ons contract met Boleslaw maakte een einde aan deze positie. De Metallgesellschaft wilde ons ruïneren om daarna de zaak over te nemen.”

Volgens een woordvoerder van BUS is dit onzin. “Wij hoeven niemand werk af te pakken. Er is jaarlijks 550 ton afval te verwerken, daarvan kunnen wij er maar 150 aan.” Een eerste proces tegen de betrokken medewerker van BUS heeft Stork dan ook verloren. De zaak die hij heeft aangespannen tegen Greenpeace in Duitsland loopt nog.

Toch blijft de rol van BUS onduidelijk. In een latere campagne van Greenpeace (maart 1991) beweerde de milieu-organisatie dat door de verwerking van de reststoffen van HTA door Boleslaw 300 ton cadmium in de Silezische natuur zou zijn beland. Een maand later moest Greenpeace deze beschuldigingen intrekken. In een brief van 19 april 1991 aan HTA stelde de milieu-organisatie dat de schade niet 300 ton cadmium bedroeg, maar 12,5 ton. “Wij hebben ons op een te hoge schatting uit de staalbranche gebaseerd (...) zonder deze zelf aan de hand van documenten te kunnen verifiëren”, zo schrijft Greenpeace. In een gesprek op de Duitse tv met Stork erkende de leider van de campagne dat een "leidinggevende werknemer' van BUS hem deze onjuiste informatie had verschaft.