Toon Hermans dwingt respect af met nieuwe solovoorstelling

Voorstelling: Ik heb je lief, solo door Toon Hermans. Muzikale leiding: Coen van Orsouw jr. Gezien: 4/4 in de Casinoschouwburg, Den Bosch.

Niemand die bij voorbaat zoveel goodwill heeft bij zo'n groot publiek als Toon Hermans - en niemand ook, die daar met zoveel égards mee omspringt als hij. Op kousevoeten zingt hij zijn liedjes en vertelt zijn verhaaltjes, die stuk voor stuk zo herkenbaar zijn als wat. Hij ontregelt niet, hij slaat geen onvermoede paden in, hij omarmt die uitverkochte theaterzaal (want uitverkocht zijn ze weer bijna allemáál) en hij oogst als loon een gevoel van warmte dat niet anders dan met een groot woord kan worden omschreven: dit is Liefde.

Toon Hermans verschijnt, na een paar voorstellingen met een door anderen verzorgd voorprogramma en na een uitbundig gevierde 75e verjaardag, dit jaar weer op het toneel zoals men hem het liefst ziet. Alleen, zonder afleiding. Het enige nieuwe is ditmaal dat hij vóór de pauze voornamelijk zingt en zijn praatjes bewaart voor daarna. En voor het eerst, zegt hij ietwat pontificaal, heeft hij zijn voorstelling een titel gegeven: Ik heb je lief.

Hij doet er niet larmoyant over, maar zijn publiek begrijpt onmiddellijk dat hij daarmee verwijst naar zijn kortgeleden gestorven vrouw. Een krijttekening van haar hand siert het programmaboek. Dat verdriet heeft hem niet alleen geïnspireerd tot nieuwe, onnavolgbaar vederlichte liedjes, maar ook tot een paar chansons met een groter soortelijk gewicht: “Wie is die idioot met die ballonnen / die van de liefde zingt elk ogenblik / en rozen plukt van zelf verzonnen zonnen / die idioot ben ik...” Terwijl het licht al zijn stemmingen volgt, zingt Toon Hermans over de hotelkamer van de eerste vakantie met zijn lief, van de hemel waar Tommy Cooper en Danny Kaye en Charlie Chaplin nu hun dansjes doen, en van de seizoenen die hem elk op hun eigen manier tot kinderlijke daden brengen.

Pas na de pauze is het tijd voor de grapjes. Zijn timing en dosering zijn met de jaren geperfectioneerd; hij maakt allang geen continue golven van hilariteit meer los, maar stelt daarvoor een sfeer van genoeglijkheid in de plaats, waarin hij een ongeëvenaard spel speelt met voor- en napret. Soms vind ik het jammer dat hij een veelbelovend idee niet verder uitwerkt en halverwege op keuveltoon over iets anders begint. De enige echte act is nu nog een nummer als dirigent - een mimisch hoogstandje, dat kan wedijveren met alle topnummers uit zijn verleden. Dat verleden verleent hem een stralenkrans, waarin hij zich naar hartelust kan wentelen, zonder er ook maar één moment gemakzuchtig misbruik van te maken. Ik heb daar niets dan het grootste respect voor.