Ter Beek heeft krijgsmacht uit de droom geholpen; Ter Beek wil de landmacht drastisch inkrimpen, maar laat de marine en de luchtmacht nog even rusten; De minister van buitenlandse zaken zou moeten juichen over de plannen van zijn collega

Met zijn toespraak van vorige week over het defensiebeleid heeft minister Ter Beek een forse stap in de goede richting gezet. De defensie-organisatie is uit haar droom geholpen; die droom was dat de drie krijgsmachtdelen betrekkelijk ongeschonden uit de Koude Oorlog zouden komen, het verdwijnen van het Warschaupact ten spijt. Ze presenteerden de minister onbetaalbare plannen voor zijn Defensienota, die vorig voorjaar verscheen.

Maar, zoals Ter Beek in die nota zei, de ontwikkelingen in Oost-Europa waren nog niet volledig "uitgekristalliseerd'. Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie en de desintegratie van haar strijdkrachten, slaat hij onverwachts , maar goed voorbereid en steunend op een degelijke analyse, hard toe. Daarbij sneuvelen enkele traditionele heilige huisjes. Niet de eng nationale planning of die per krijgsmachtonderdeel, maar de internationalisering van de defensie-inspanning staat voorop. “Soevereiniteit wordt een anachronisme”, zegt hij immers. Bij een verkleining van de krijgsmacht worden nu prioriteiten tussen en binnen de krijgsmachtdelen gesteld en wordt niet meer de kaasschaaf gehanteerd, waarbij ieder een gelijk offer brengt, want dan “ hollen we de krijgsmacht uit”.

Dit zijn fundamentele wijzigingen. We worden bevrijd van de Oost-West dwangbuis en het beklemmende spreken voor eigen geüniformeerde parochie. In deze opzet kan onze defensie-inspanning met en in het buitenland ruimer en veelzijdiger te gelde worden gemaakt. Buitenlandse Zaken zou moeten juichen over zo'n meer hanteerbaar middel want heeft niet minister Van den Broek onlangs in de Noord-Atlantische Samenwerkingsraad de mogelijkheid geopperd een vredesmacht naar Nagorno-Karabach te sturen? Daarvoor moet Nederland dan immers ook over bruikbare eenheden in de juiste samenstelling beschikken.

Ter Beek geeft al in zekere mate aan hoe zo'n krijgsmacht er zou moeten uitzien. In zekere mate, want het lijkt dat hij nog niet het achterste van zijn tong laat zien: een consequente uitwerking van zijn richtlijnen zou tot verdergaande stappen leiden.

In de eerste plaats spreekt hij over complementariteit van de Nederlandse bijdrage in internationaal verband. Nederland moet doen waarin het goed is en andere landen ook. Helaas gaat Ter Beek "echte taakspecialisatie' uit de weg, maar misschien gebruikt hij slechts een ander woord, een eufemisme. Complementariteit is riskant. Het betekent een eenzijdig opstellen van een defensieplan en alleen met geluk past de Nederlandse bijdrage in internationale verbanden.

Zo'n benadering ondermijnt de bestaande geïntegreerde militaire planning in de Navo en belemmert een hechtere Europese samenwerking. Internationale planning blijft hard nodig en het Westen zal een samenhangende verdedigingsorganisatie moeten handhaven, althans de kern daarvan.

Eigenlijk is complementariteit dan ook onrealistisch en past dat niet in een geïnternationaliseerd beleid want er wordt natuurlijk naar elkaars bijdragen gekeken. Het gaat om de extra impuls. Waarom dan niet ronduit pleiten voor taakspecialisatie en twee- of meerzijdige afspraken nastreven, hoe moeilijk dat ook moge zijn? Laten we niet vergeten dat de Nederlandse bijdrage altijd betrekkelijk klein zal zijn, afgestemd op de wensen van grotere bondgenoten. Met werkelijke internationalisering hoog in het vaandel geschreven, zou bovendien een sterk signaal worden gegeven aan de krijgsmachtdelen dat het met eenzijdig nationale planning echt is gedaan.

Voor de landmacht heeft Ter Beek zijn licht al op de toekomst laten schijnen: minder brigades (er wordt gefluisterd van zeven naar vier) die snel inzetbaar zijn en waarschijnlijk uitsluitend uit beroepspersoneel bestaan. Brigades zijn zelfstandige eenheden en kunnen als "building blocks' in internationaal verband worden ingebracht. Maar de minister spreekt met geen woord over de luchtmacht en de marine. Voor die krijgsmachtdelen geldt de noodzaak van internationalisering in dezelfde mate, ook al is het moeilijker de "evenwichtig samengestelde delen' van de luchtmacht en marine uit elkaar te nemen. Onderzeeboot, vliegtuig en fregat werken samen in de onderzeebootbestrijding en luchtverdediging gebeurt gezamenlijk in de lucht en op de grond.

Misschien laat Ter Beek dat probleem nog even rusten, ook al kondigt hij al wel aan, dat er ook prioriteiten binnen die krijgsmachtdelen moeten worden gesteld. Vanzelfsprekend zijn hun taken ook drastisch gewijzigd met het verdwijnen van de Sovjet-dreiging. Bovendien zal ook bij hen naar de middelen moeten worden gezocht om financiële ruimte te scheppen voor de reorganisatie van de Nederlandse krijgsmacht.

Dat een en ander gepaard gaat met kapitaalvernietiging, waarvoor Ter Beek huiverig is en die hij zoveel mogelijk wil voorkomen, staat als een paal boven water. Maar dat mag geen reden zijn om krijgsmachtdelen te handhaven waaraan in hun "evenwichtige samenstelling' geen behoefte meer is. Wat betreft de luchtmacht is het de vraag of Nederland alle F-16-jachtvliegtuigen zou moeten handhaven, of niet beter met bijvoorbeeld de Belgen kan spreken over een taakverdeling van luchtverdediging en luchttransport. De F-16 is voor meer taken uitgerust en overal, uiterst snel inzetbaar. Dat dient dus in de nieuwe opzet niet te worden opgegeven. Maar voor luchttransport voor de mobiele landmachteenheden moet of geld worden vrijgemaakt of een internationale taakverdeling worden gevonden. Geld zou kunnen worden gevonden door een vermindering of afschaffing van de Patriot-luchtverdedigingsraket. Kapitaalvernietiging kan in aanzienlijke mate worden voorkomen door ze te verkopen aan een land als Hongarije dat die middelen volstrekt mist. Het zou kunnen worden gezien als een investering in een "bufferland', zoals Ter Beek het in Hongaarse ogen oneerbiedig noemt. De Patriots waren bestemd voor de afweer van een van de meest venijnige elementen van een Sovjet-blitzkrieg, namelijk een diep-penetrerend luchtoffensief, maar daarvan is geen sprake meer.

Onderzeebootbestrijding als hoofdtaak van de marine bestaat ook niet meer en het vermogen van het Westen op dat gebied heeft altijd al de vraag ver overtroffen. Overwogen zou kunnen worden de dertien Orion-vliegtuigen van de hand te doen en daarmee bijna vijftien procent op het marine-exploitatiebudget te besparen. Voorts zou er op termijn een onderkomen voor de onderzeeboot zonder taak, de Walrus, moeten worden gevonden: nog eens tien procent van de kosten. Zowel in technologisch opzicht voor onderzeebootbestrijding als op het gebied van crisisbeheersing is de toekomst aan het fregat. Daar ligt specialisatie voor Nederland in het verschiet. De Engelsen en de Canadezen blijven om verschillende redenen geïnteresseerd in onderzeeboten en daarover zouden onderhandelingen kunnen beginnen.

Van belang is, dat de marine de ruimte creëert, zelf of in internationaal verband, de transportcapaciteit uit te breiden voor de beoogde VN-acties. In dit opzicht is ook een mogelijke uitbreiding van de mariniers te overwegen. Zeetransport onder de bescherming van fregatten is onontbeerlijk voor de taken die de minister waarschijnlijk voor de marine in zijn hoofd heeft. In elk geval moet ook de marine worden onderworpen aan een kritische heroverweging in het licht van de internationalisering van ons defensiebeleid, net zoals de landmacht en luchtmacht.

Ter Beek heeft een bewonderenswaardige aanzet gegeven tot werkelijke plannen voor de volgende decennia. Voor een consequente uitvoering - ook voor luchtmacht en marine - verdient hij veel politieke steun. In een weerbarstige organisatie als defensie zullen hij en zijn opvolgens die steun hard nodig hebben.