Staking climax van conflict tussen NS en bonden

ROTTERDAM, 6 APRIL. Het volledig platleggen van het treinverkeer vanmorgen is de voorlopige climax van een conflict tussen de NS-directie en de vakbonden over een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst voor de ruim 27.000 werknemers.

Op 24 maart brak de NS-directie de onderhandelingen af met een "eindbod' dat voor de vier vakbonden - de vervoersbonden van CNV en FNV, de Federatieve Spoorwegvakvereniging (FSV) en de Vereniging van hoger NS-personeel - onaanvaardbaar was. Zij verzetten zich met name tegen het voorstel van de NS voor flexibeler arbeidstijden voor de circa 3.000 werknemers van de Dienst Infrabeheer en tegen het loonbod van de NS. Voor dit jaar is dat een loonsverhoging van 3,9 procent voor alle werknemers en daarbovenop een extra loonsverhoging variërend van 0,3 tot 3 procent voor het hoger personeel.

Een week later (30 maart) stelden de bonden, met uitzondering van de Vereniging voor hoger NS-personeel, de NS-directie een ultimatum: als de directie geen beter bod deed, zouden ze hun leden oproepen maandag 6 april het werk neer te leggen.

De NS willen de Dienst Infrabeheer met het oog op de toenemende internationale concurrentie (onder aannemers) flexibeler laten werken, door onder andere verlenging van de maximale werktijden en verkorting van de minimale rusttijden. Volgens de bonden betekent dat een verslechtering van de arbeidsvoorwaarden.

De NS-directie reageerde niet op het ultimatum. Wel verklaarde zij zich vorige week bereid het CAO-overleg het hervatten. De bonden verklaarden zich daartoe eveneens bereid onder verwijzing naar het ultimatum. “Wij willen niet de illusie wekken dat enkele van uw voorstellen, die wij in een eerdere fase van de onderhandelingen klip en klaar hebben afgewezen, nu opeens weer voor ons bespreekbaar zijn”, lieten zij de NS weten.

Tot hervatting van het overleg kwam het niet. Dat was voor de reizigersorganisatie in het openbaar vervoer (Rover) aanleiding eind vorige week een kort geding aan te spannen tegen zowel de bonden als de NS. Volgens Rover hadden beide partijen niet het uiterste gedaan om het conflict aan de onderhandelingstafel te beslechten.

Kort-gedingrechter mr. J. Schuman wees dit af. De belangenorganisatie had volgens hem “volstrekt niet” aannemelijk kunnen maken dat onvoldoende overleg had plaatsgehad. Het vastlopen van de onderhandelingen was volgens hem “een direct gevolg van fundamentele verschillen van inzicht in het te voeren arbeidsvoorwaardenbeleid bij de NS”. In deze kennelijke patstelling achtte hij de spoorstaking niet onrechtmatig. Bemiddeling door een onafhankelijke derde “zou van praktische wijsheid getuigen”, aldus Schuman.