Juridische strijd om middeleeuws bronzen kanon

HOORN, 6 APRIL. Een bronzen haakbus, een vijftiende-eeuws handkanon dat momenteel in het Westfries Museum in Hoorn is te zien, is inzet van een juridische strijd tussen de Staat en de schatgravers die het hebben gevonden. Een civielrechtelijk proces in hoger beroep en een strafrechtelijk proces moeten uitmaken of met de Monumentenwet in de hand, de vinders al dan niet strafbaar zijn.

Het proces moet antwoord geven op de vraag of schatgravers hun vondsten te gelde mogen maken. Krachtens de nieuwe Monumentenwet uit 1988 is het rijk eigenaar van alle bodemschatten en is gericht zoeken door onbevoegden verboden. Op overtreding van de wet staat een gevangenisstraf van een jaar.

De honderd centimeter lange haakbus, de voorloper van het grote middeleeuwse kanon. Het voorwerp werd in de zomer van 1990 door amateur-archeoloog W. Snip en twee vrienden, door het museum aangeduid als schatgravers, gevonden in een beerput op een bouwterrein in de binnenstad van Hoorn.

Kort daarvoor was op die plaats een zeven weken durende officiële opgraving verricht door stadsarcheoloog drs. T.Y. van de Walle- Van der Woude. Van de Walle, al jaren gebrand op een opgraving in dit oude deel van de stad, mocht vanwege instortingsgevaar van het belendende café niet graven in de strook waar Snip zijn vondst deed.

Snip, die Van de Walle geassisteerd had bij de officiële opgraving, kreeg echter toestemming van zowel de bouwondernemer als de café-eigenaar om te graven. “Je kunt de officiële bouwregels omzeilen als je wat improviseert. Als je toestemming hebt van beide eigenaars omzeil je de architect.” Hij zag meteen de waarde van de vondst en belde Van de Walle.

De afgelopen tien jaar had het Westfries Museum Snip ongeveer tien keer uitbetaald voor archeologische voorwerpen, variërend van enkele tientjes tot 200 gulden. Snips vrienden, geen amateur-archeologen, wilden de voorwerpen, naast de zeldzame haakbus, de eerste met een houten kolf die in vrijwel volledige staat werd gevonden in Nederland, enkele zandstenen kogels en een vuist van lood op een stok te gelde maken en vroegen 10.000 gulden.

Snip zat tussen twee vuren, zegt hij. “Het liefst had ik de vondst in bruikleen aan het museum gegeven, maar mijn twee vrienden wilden geld zien”. Van de Walle stond voor een dilemma. “Ga je niet op het aanbod in dan verdwijnt het voorwerp in de handel en ben je het kwijt, koop je wel dan schep je precedenten.”

De stadsarcheoloog besloot wat weinig officiële instanties voor haar hadden gedaan: aangifte doen van overtreding van de Monumentenwet. Omdat de haakbus bij de vinders thuis in een bak water met spiritus werd bewaard, maakte Van de Walle zich zorgen over de conservering van het handkanon. K. Beemsterboer van de Hoornse politie besloot met een last tot binnentreden in gevolge de wet Wapens en Munitie het handkanon in beslag te nemen.

Snip, lid van Archeologische Werkgemeenschap Nederland (AWN), is van mening dat de politie 'een truc' toepaste. “Voorwerpen die meer dan 100 jaar oud zijn vallen niet meer onder de Vuurwapenwet.” Waar hij zich het meeste aan stoort is dat er met twee maten wordt gemeten. “Formeel ben ik in overtreding, maar waarom wilde het museum nu niet gewoon betalen, zoals ze in het verleden ook deed? Laatst vond iemand met een metaaldetector flink wat Karolingische munten die zijn opgekocht door het Munt- en Penningkabinet. Er zijn heel wat Archeologische Diensten die spullen aankopen. Bovendien hebben veel AWN-leden een privécollectie opgebouwd uit gedane vondsten, die ze bestuderen.”

Volgens Snip speelt kinnesinne een rol bij Van de Walle's besluit tot aangifte. “Wat dacht je. De mensen hier lachten zich een kriek dat wij die haakbus vonden, nadat zij er weken lang had gegraven. Zij moest dus wel een daad stellen.”

Eind 1990 spande de staat als wettige eigenaar een civiele procedure aan tegen de drie vinders. Eind vorig jaar bepaalde de rechter dat de gevonden voorwerpen moesten worden overgedragen aan de rechtmatige eigenaar. Binnen enkele maanden zal ook een strafrechtelijk proces worden gevoerd tegen de 'schatgravers'.

Inmiddels zijn de vinders tegen het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan. Van de Walle hoopt dat van de gevoerde processen een preventieve werking uitgaat op de schatgraverij, die volgens haar de spuigaten uitloopt. Of de harde aanpak in Hoorn niet tot gevolg zal hebben dat vinders geen vondsten meer melden betwijfelt ze. “Het gros van de schatgravers loopt nu toch al meteen naar de antiekhandel met gevonden bodemschatten. Daar krijgen ze er grif geld voor.”

Zij stoort zich met name aan kunstverzamelaars die hoge beloningen in het vooruitzicht stellen aan schatgravers. “Zij stimuleren de schatgraverij en maken zich in feite schuldig aan heling”. Om de Monumentenwet bekender te maken bij ambtenaren is Van de Walle van plan alle gemeentes in Noord-Holland een speciale folder toe te sturen waarin informatie wordt gegeven over welke procedures er gelden bij gedane vondsten en wie de rechtmatige eigenaar is.

Beemsterboer stelt dat ook de politie beter ingelicht moet worden over de Monumentenwet, wil die goed worden toegepast. Hij wil de inhoud van de wet daarom onder de aandacht brengen van de Politieopleidingsscholen. “De Monumentenwet leeft niet bij de politie. Wij hadden er in Hoorn niet eens één in de politiebibliotheek.”