Indonesie (2)

Het afbreken door Indonesië van alle projecten die uit Nederlandse ontwikkelingssamenwerkingsfondsen zijn gefinancierd kan moeilijk anders worden gezien dan als een politiek debâcle van de daarvoor verantwoordelijke bewindsman. De relatie was immers, mede door het IGGI-voorzitterschap, een belangrijk onderdeel van de taak waarvoor die minister staat. Uit dat oogpunt is het verwonderlijk dat de betrokken minister niet door het parlement tot aftreden wordt gemaand doch veeleer vriendelijk wordt bejegend.

De opstelling van de volksvertegenwoordigers kan echter misschien wèl begrepen worden uit een historisch oogpunt. Het blijkt immers dat de Nederlandse politici in het verleden (vóór mei 1940, tijdens de Londense jaren en ná augustus 1945) al zó vaak de belangen van Indonesië en het Indonesische volk ondergeschikt hebben gemaakt aan binnenlandse tegenstellingen en (vermeende) partijbelangen dat die opstelling traditie is geworden.

Ontwikkelinghulp vergezeld van vaderlijke raadgeving zou tot het verleden moeten horen. Het bevorderen van mensenrechten zou een doel op zichzelf moeten zijn en niet een hulpmiddel tot speciale politieke profilering.