In plaats van zegels

De branche van de postzegelverzamelaars leidt langzamerhand aan een wat stoffig imago. Maar gelukkig is er een grote nieuwe verzamelrage in aantocht: de telefoonkaart. Handelaar Rieuwert Kloek gelooft er heilig in.

Onopvallend ligt het postzegelwinkeltje van Kloek verscholen in een duistere steeg achter de Amsterdamse Nieuwezijds Voorburgwal, waar postale verzamelaars uit heel Nederland wekelijks blauwbekken op hun eigen openlucht-markt. De speciaalzaak bezorgt liefhebbers sinds 1935 rode konen van begeerte. De Kaapse Driehoek ligt er achter glas, meer courante zegels worden per kilo verhandeld en de voorraad nuttige accessoires behelst ondermeer vergrootglazen, insteekalbums en catalogi. Toch ziet detaillist Rieuwert Kloek de toekomst van zijn negotie met zorg tegemoet. De branche kampt volgens hem met "een duf imago' en wordt vereenzelvigd met “oude mannetjes en muf ruikende stofnesten”. Steeds minder jongeren investeren tijd en geld in de brave liefhebberij van het verzamelen. De bedrijfsresultaten van Kloek en zijn collega's vallen de laatste jaren tegen. “De neergang is jaren geleden begonnen”, weet de handelaar in frankeerzegels. “Toen gingen allerlei mensen niet in het minst gehinderd door enige kennis van zaken massaal inkopen omdat ze hadden gehoord dat postzegels zo'n slimme belegging zijn. Ze schaften zich bijvoorbeeld in één keer tweehonderd mapjes kinderzegels aan, met de bedoeling die later voor veel geld van de hand te doen. Door het stijgende aanbod daalde de prijs, met als gevolg dat de markt dramatisch inzakte.” Ze zijn er nog wel, de kantoorbedienden en ambtenaren die de lunchpauze aangrijpen om bij Kloek nieuwe parels voor hun collectie uit te zoeken, maar het zijn er steeds minder. Een man in een regenjas besluit na lang wikken en wegen honderddertig gulden neer te tellen voor een Amerikaanse zegel uit 1953, maar daar staan acht klanten tegenover die naar binnen worden gezogen vanwege een nieuw spaarobject dat volgens Kloek de grote rage van het aanstaande millennium belooft te worden. “Telefoonkaarten - leuk om te verzamelen”, meldt een opschrift in zijn etalage, waarin een keur van de verkrijgbare exemplaren is uitgestald.

Zes jaar geleden begon de PTT met de groene kaart van hard plastic te experimenteren, die toen nog in een beperkt aantal cellen bruikbaar was. Een ongebruikte kaart met honderdvijftien "eenheden', die destijds een geeltje kostte, is nu al achthonderd gulden waard en dat zal ongetwijfeld meer worden. In Duitsland loopt de prijs van zeldzame telefoonkaarten rustig op tot tienduizend Mark en meer.

In Nederland schijnt het geleidelijk ook die kant op te gaan, al drongen de weidse perspectieven van het nieuwe produkt hier pas twee jaar geleden tot verzamelaars door. Inmiddels telt de achterban van een ijlings opgerichte Nederlandse Telefoonkaarten Club (die natuurlijk zelf ook telefoonkaarten uitbrengt) ruim vijfhonderd leden. “De telefoonkaart past helemaal bij deze tijd”, vindt Rieuwert Kloek. “Dit is de eeuw van plastic en creditkaarten. In Frankrijk is bijna geen telefooncel meer te vinden waar je nog met munten kunt bellen. Een openbare telefoon die op zo'n kaart werkt, wordt minder snel gesloopt. Voor dieven valt er niets te halen.”

Ook het voordeel voor de opbeller is evident: het onhandige gescharrel met het laatste kleingeld in de ene hand en de hoorn in de andere hand behoort tot het verleden. PTT Telecom distribueert kaarten van vijf, tien en vijfentwintig gulden. Bij de laatste twee kaarten krijgt de consument een paar strippen cadeau. Bedrijven kunnen kaarten afnemen (minimaal duizend stuks) om van een opdruk naar keuze voorzien.

Echt origineel valt een dergelijk relatiegeschenk inmiddels nauwelijks nog te noemen, al circuleerden er nimmer in de geschiedenis visitekaartjes waaraan meer praktisch nut kon worden ontleend. Kloek heeft zo'n duizend verschillende telefoonkaarten in voorraad. De Japanse collectie is heel uitgebreid, want Japanners zijn nu eenmaal dol op verzamelen - het maakt weinig uit om welk produkt het gaat, mits het tezijnertijd zijn geld maar opbrengt.

In het PTT-museum aan de Zeestraat in Den Haag is deze weken te zien waar dit alles toe leidt. Een deel van de expositieruimte is ingeruimd voor de tentoonstelling "Toegangskaart tot de wereld: de telefoonkaart'. Een monumentale wand gaat schuil onder vijftienhonderd kaarten uit binnen- en buitenland, terwijl de bezoeker een kijkje achter de schermen van de nieuwe industrie kan nemen dankzij de uitstalling van schetsen en ontwerpen die deels werden uitgevoerd.

In 1990 kwam PTT Telecom voor het eerst met een serie bijzondere telefoonkaarten, die destijds in het teken van het Van Gogh-jaar stonden. Het plan om voortaan elk jaar, net als met postzegels het geval is, met drie of vier bijzondere series telefoonkaarten te komen, resulteerde ondermeer in een setje waarmee zowel voetbalfans als verzamelaars in hun sas waren: "PSV landskampioen 1990 - 1991' vermeldt het hard-plastic kleurenplaatje met de glunderende koppen van het gelauwerde elftal. Maar het Rembrandtjaar 1991 werd pas onlangs luister bijgezet met drie telefoonkaarten van ƒ 17,50 per stuk. Een Stichting tot Behoud van de Nederlandse Culturele Erfschat, statutair gevestigd te Amsterdam, is van plan nog veel meer culturele erfschatten via de telefoonkaart voor het publiek te behouden. PTT Telecom heeft er geen bemoeienis mee.

Met elke Rembrandtkaart kunnen maar vier gesprekken worden gevoerd, waar tegenover staat dat ze adembenemend mooi met Nachtwacht-fragmenten werden bedrukt door de Zwitserse topfirma Landis & Gyr. De verzamelaar zal de kaart bovendien niet gebruiken voor het doel dat er op vermeld staat. Ongebruikte telefoonkaarten zijn na verloop van jaren minstens het dubbele waard van gebruikte.

De Amsterdamse telefoonkaartenhandelaar Rieuwert Kloek krijgt de laatste maanden veel aanloop van mensen die hem iets te koop willen aanbieden. Asfaltschuimers, maar ook schoonmakers en PTT-employés hebben een nieuwe hobby ontdekt: ze rapen elke telefoonkaart op die ze zien liggen omdat ze weten dat die een zekere waarde vertegenwoordigt. “Ik krijg hier ook veel Turken en Marokkanen, die de kaarten gebruiken om naar hun vaderland te bellen”, zegt hij. “Je sleept je ongans aan dit spul, want honderd telefoonkaarten wegen een stuk zwaarder dan honderd postzegels. Waar tegenover staat dat deze handel veel minder kwetsbaar is. Als ik in deze winkel een overstroming zou krijgen, kan ik m'n postzegels weggooien. De telefoonkaarten schud ik daarna gewoon even uit.”