Ideeëngoed van Kuyper slaat weer aan; Profiel van twee CDA-ideologen

Moet het CDA een brede middenpartij worden of een beweging die nadrukkelijk trouw blijft aan haar christelijke wortels? Dat is de discussie die de partij te wachten staat als binnenkort voorstellen voor een nieuw beginsel-programma van het CDA bekend worden.

Twee jonge CDA-ers, van wie er een de voorstellen mee helpt formuleren, nemen vast een voorschot op de discussie. Zij probeerden in hun promotie-onderzoek oude protestantse en katholieke beginselen te verbinden met nieuwe, christen-democratische ideologie en politiek. Hun partij moet niet te veel over "centen' praten, vinden ze, maar oude Kuyperiaanse waarden opnieuw actueel maken.

“Zeer geachte toehoorders en toehoorderessen”, schalde het op 20 oktober 1880 door de Nieuwe Kerk te Amsterdam. Op de preekstoel stond Abraham Kuyper, de voorman der gereformeerden die net een van zijn grote daden - de oprichting van de Vrije Universiteit - had verricht. De viering van deze oprichting greep hij aan om zijn visie op de verhouding tussen overheid en maatschappij uiteen te zetten. De universiteit was, naast gezin, bedrijf, school en kerk, een van die "organische verbanden' waarop staat noch individu te veel invloed mochten krijgen. Kuyper noemde ze "soeverein'.

Bij het uitspreken van zijn woorden kan Kuyper nooit bevroed hebben dat meer dan een eeuw later zijn leerstuk van de "soevereiniteit in eigen kring' opnieuw opgang zou maken onder jonge intellectuelen. Stouter dan Kuypers stoutste dromen is misschien nog wel dat zijn leerstuk samen met Roomse staatkundige beginselen anno 1992 profiel is gaan geven aan de christen-democratische ideologie.

Toch is dat precies wat er gebeurt. Twee jonge medewerkers van het Wetenschappelijk Instituut voor het Christen Democratisch Appel promoveerden onlangs op proefschriften waarin het Kuyperiaanse gedachtengoed een belangrijke rol speelt. De gereformeerde "soevereiniteit' en katholieke "subsidiariteit' (de leer dat de staat slechts die taken op zich kan nemen die niet door maatschappelijke organisaties kunnen worden vervuld) fungeren daarin als legitimatie voor de "terugtredende overheid'.

Ab Klink (33) trachtte in zijn proefschrift "Christendemocratie en Overheid' het klassieke protestantse en katholieke staatkundig erfgoed te verbinden met het christen-democratisch streven naar een grotere eigen verantwoordelijkheid van maatschappelijke organisaties. Zijn proefschrift vormde de culminatie van een reeks rapporten voor het CDA waaraan hij een belangrijke bijdrage leverde zoals "Publieke Gerechtigheid' (1990) en "Herstelde Verantwoordelijkheid' (1991).

Vorige week stapte Klink, van huis uit gereformeerde bond, over naar het ministerie van justitie waar hij de katholieke minister Hirsch Ballin gaat bijstaan in diens strijd voor een herstel van normen en zeden. Ook is hij een van de rapporteurs van de commissie-Steenkamp die binnenkort voorstellen doet voor een vernieuwing van het "Program van uitgangspunten' van het CDA.

Jan-Peter Balkenende (35) concludeerde in zijn proefschrift over "Overheidsregelgeving en maatschappelijke organisaties' dat het overheidsbeleid in de jaren tachtig op het gebied van de sociale zekerheid, technologie en media, ondanks alle retoriek over deregulering, niet heeft geleid tot minder overheidsbemoeienis of meer zelfregulering. In eerdere rapporten voor de partij over economisch, fiscaal en technologiebeleid signaleerde de gereformeerde jurist en historicus eenzelfde tendens.

Zowel hij als Klink meent dan ook dat christen-democratische waarden als "eigen verantwoordelijkheid' en "solidariteit' te weinig hebben geleid tot een duidelijk omschreven staatsvisie en te weinig in de praktijk zijn gebracht door de drie kabinetten-Lubbers.

In een kamer van het wetenschappelijk instituut, dezelfde waar Kuyper als minister-president tussen 1901 en 1905 met zijn kabinet vergaderde, zegt Klink: “Als er centen in het geding zijn, wordt een onderwerp politiek eerder actueel en gaan koopkrachtplaatjes al snel het debat domineren, zoals in de discussie rond het ziektekostenstelsel. Dat moet ook het CDA zich aantrekken. Spraakmakende delen van de partij zoals Kaland cum suis zijn het plan-Simons steeds meer op de financiële effecten gaan beoordelen en steeds minder op positieve gevolgen zoals de grotere ruimte die het plan geeft voor eigen, identiteitsgebonden initiatieven in de gezondheidszorg.”

Balkenende constateert dat “de ideeën over een grotere eigen verantwoordelijkheid wel bestaan maar de concrete uitwerking achterwege blijft. Op beslissende momenten durft het kabinet geen taken over te dragen, door onenigheid tussen sociale partners of door gebrek aan vertrouwen in het zelfregulerend vermogen van de samenleving. Alleen bij hoge financiële nood treedt de overheid terug, niet omdat staatkundige opvattingen dat vereisen.”

Maar ook de maatschappelijke organisaties zelf blijken volgens de twee jonge doctoren nog lang niet altijd klaar te staan om meer taken op zich te nemen. Dat bleek onder meer tijdens de viering van het tienjarig bestaan van het CDA. Daar citeerde premier Lubbers zelfs uit de Bijbel om aanwezige bestuurders tot meer eigen verantwoordelijkheid te bewegen. Lubbers vertelde het verhaal van de barmhartige Samaritaan die zich niet door de historische vijandschap met Israel had laten weerhouden om een jood die halfdood langs de kant van de weg lag te helpen. Schoolbestuurders konden zich daardoor misschien laten inspireren wanneer ze voor de keus kwamen te staan om een werkloze leraar van een school met een andere levensbeschouwing in dienst te nemen. Het eeuwige leven kon Lubbers de bestuurders niet in het vooruitzicht stellen als ze dat zouden doen. Wel zouden ze zo kunnen voorkomen dat er ooit overheidsregulering voor werkloze leerkrachten nodig zou zijn.

De schoolbestuurders reageerden not amused. Ze zagen hun vrijheid van onderwijs in het gedrang komen en vertrouwden liever op de bescherming van de CDA-fractie in de Tweede Kamer als het kabinet toch met maatregelen zou komen.

Een van de wrange vruchten van het feit dat de economische bloei van de tweede helft van de jaren tachtig niet is gebruikt om de taken van staat en samenleving drastisch te herordenen, is volgens Klink en Balkenende dat afstoting van taken nu meestal wordt opgevat als bezuiniging, niet als consequentie van een staatkundig ideaal. Dat terwijl waarden als publieke rechtvaardigheid volgens hen ook buiten de overheid kunnen worden bevorderd.

Neem de sociale zekerheid. Het eerst door het CNV bepleitte en al in 1986 door het CDA overgenomen voorstel voor een mini-stelsel waarbij de overheid alleen voor een basisuitkering zorgt en de sociale partners de hoogte en duur van de uitkeringen van de werknemersuitkeringen (WW, WAO, ziektewet) regelen, dient de solidariteit beter dan de huidige situatie, vinden de twee. Klink: “Nu kan iedereen vrij willekeurig looneisen stellen. Als die hoger zijn dan de arbeidsproduktiviteit en daardoor werkloosheid ontstaat worden de kosten daarvan - de WW - door de sociale partners op de gemeenschap afgewenteld.” De sociale fondsen vertalen dat weliswaar in hogere premies voor iedereen, ook een vorm van solidariteit. “Maar”, zegt Klink “dan zie je niet welke bedrijfssector het meest voor die premiestijging heeft gezorgd. Ook wordt de overheid op de premiestijging aangesproken omdat die deel uitmaakt van de collectieve lastendruk die, vinden velen, nou juist naar beneden moet.”

Klink en Balkenende vinden het niet alleen doelmatiger maar ook rechtvaardiger de verantwoordelijkheden scherper te scheiden en de sociale partners meer met de gevolgen van hun eigen handelen te confronteren. Daarom zouden de sociale partners per sector zelf de verantwoordelijkheid voor werknemersverzekeringen en werkgelegenheids- en scholingsbeleid moeten krijgen.

Maar is het wel solidair en rechtvaardig om risico's op het gebied van werkgelegenheid en ziekteverzuim die buiten de schuld van de betrokkenen ontstaan (in de bouw bijvoorbeeld of door internationale ontwikkelingen) bij de werkgevers en werknemers zelf te leggen? De twee menen evenwel dat de sociale partners zelf goed in staat zullen zijn te bepalen welke risico's dat zijn en die te spreiden door middel van eigen vereveningsfondsen.

Met deze aanpak kan publieke gerechtigheid door organisaties zoals werkgevers en werknemersverenigingen bevorderd worden, menen Klink en Balkenende. Ze delen dan ook niet de kritiek van hun partijgenoot, het CDA-Tweede Kamerlid Van Houwelingen (vroeger ARP), die vorige week in Elsevier zei dat de nadruk van zijn partij op de eigen verantwoordelijkheid van maatschappelijke organisaties “het zicht ontneemt op andere kernbegrippen van het CDA zoals gerechtigheid en solidariteit.” Balkenende: “Die opmerkingen moet je plaatsen in een historische context van de jaren zeventig met hun christen-radicale stromingen.” Ook Klink situeert de kritiek van Van Houwelingen “in de periode-Aantjes met zijn Bergrede en andere noties van bijbelse gerechtigheid. Die werden toegeschreven aan de overheid en minder aan de burger zelf. Maar die periode is voorbij.”

Van Houwelingen vroeg zich ook af of er nog wel genoeg maatschappelijke verbanden zijn om taken van de overheid over te nemen. In de sociale zekerheid zijn er de werkgevers- en werknemersorganisaties. Maar elders? Klink: “Dat is inderdaad een moeilijk punt. Bram Peper is met het oog op de sociale vernieuwing in Rotterdam gaan kijken wat daar nog aan vitaal maatschappelijk middenveld bestond. Er waren alleen behoorlijk wat kleinschalige initiatieven zoals gezelligheidsverenigingen en kerkelijk jeugdwerk.” Balkenende vestigt de aandacht op het vrijwilligerswerk. “CDA en PvdA hebben voorgesteld het vrijwilligerswerk te stimuleren met fiscale aftrekposten. Dat is een opvallend politiek signaal. In het verleden werd juist alles geprofessionaliseerd. Het bibliotheekwerk, de kinderopvang, voor alles moesten meteen regels komen.”

Een andere complicerende factor bij het prikkelen tot meer eigen verantwoordelijkheid lijkt dat traditionele bondgenoten van christelijke politici zoals de kerken zich de laatste twintig jaar meer hebben gericht op het grote onrecht in de wereld dan op de kleine slechtheid tussen burgers in Nederland. Klink reageert als door een wesp gestoken als dit onderwerp ter sprake komt: “Kerken spreken behoorlijk abstract over solidariteit en als ze erover spreken dan is het in de richting van de overheid, zoals in het debat over armoede. Maar het probleem ligt veel dieper, ligt ook op het vlak van moraliteit op het gebied van milieu, sociale zekerheid, criminaliteit. Hirsch Ballin heeft dat debat aangezwengeld.”

Balkenende vindt dat de kerken een voorbeeld kunnen nemen aan de Verenigde Staten. “Daar ontplooien kerken eigentijdse initiatieven door bijvoorbeeld de oude wijken in te gaan. Ze beginnen samen met een aantal mensen de handen uit de mouwen te steken bij het opknappen van woningen. Maar ze doen dat alleen als de bewoners beloven mee te helpen met de opknapbeurt van het volgende pand. Zo zie je je buurman nog eens en kunnen er netwerken ontstaan.”

De vraag rest wat er eigenlijk zo idealistisch is aan het stimuleren van eigen verantwoordelijkheid dat jonge christen-democraten zich daardoor "gegrepen' voelen. Beginselen als "soevereiniteit in eigen kring' hebben voor de huidige, D66-stemmende generatie waarschijnlijk de aantrekkingskracht van bloemetjesbehang. Klink: “Met die soevereiniteit in eigen kring kun je eigen, identiteitsgebonden organisaties in onderwijs, volksgezondheid en media een dam laten vormen tegen de steeds dominantere invloed van het marktmechanisme en consumentisme. Overigens wordt dat door internationale ontwikkelingen wel steeds moeilijker. Maar toen Christopher Lash in zijn jongste werk op zoek ging naar krachten die tegenwicht kunnen bieden tegen de markt kwam hij toch weer uit bij onder andere de protestantse ethiek.”

Philipijnen2,775