Het ontwaken van de buren

Het viel te verwachten en gebeurt nu stap voor stap: Duitsland trekt steeds meer zijn eigen plan. Alle buigingen naar het Europese ideaal ten spijt, reageren de Duitse politici steeds meer naar eigen goeddunken. Het schuldgevoel ebt langzaam weg op de golven van de hereniging en de traditionele terughoudendheid wordt ingeruild voor zelfbewuster handelen. Zo worden de omtrekken van het nieuwe Duitsland zichtbaar. "Deutschland wird deutscher', kopte Die Zeit begin vorige maand.

In de laatste maanden zijn er zijn vele voorbeelden van deze verschuiving. Het besluit om Kroatië en Slovenië als onafhankelijke staten te erkennen los van de Europese Gemeenschap markeerde een stemmingsomslag. Van recenter aard zijn de bezwaren die plotseling van alle kanten klinken tegen de besluiten die in Maastricht zijn genomen over de monetaire unie. En vorige week doorbrak Kohl de Europese consensus met zijn ontvangst van de Oostenrijkse president Waldheim.

Wat dat laatste betreft: ook vóór de hereniging kon men Kohl niet beschuldigen van een grote gevoeligheid voor de oorlogsgeschiedenis van zijn land. Getuige zijn vele uitglijders op dit gebied - bijvoorbeeld de wel erg losse vergelijking van Gorbatsjov met Goebbels - moeten we wel aannemen dat hij zelf gelooft in het excuus dat hij nog jong was in de oorlogsjaren. De ontvangst van Waldheim past dus in een patroon dat teruggaat tot de tijd voor de eenwording van Duitsland.

Toch was Kohls verdediging van zijn ontvangst van het Oostenrijkse staatshoofd veelzeggend voor de nieuwe verhoudingen. Want ondanks speculaties over electorale motieven voor zijn onverwachte stap - het tevreden stellen van het extreem-rechtse deel van de kiezers, wat gezien de uitslag van gisteren niet is gelukt - lijkt het toch eerder een uiting van koppige soevereiniteit. “Ik bepaal als Bondskanselier zelf wie ik uitnodig”, sprak Kohl honend tot zijn critici. En voor het Joodse Wereld Congres had hij nog wel een vraag. Waarom had men in deze kring zich eigenlijk op “een zo ongehoorde manier” verzet tegen de hereniging? Deze beide uitlatingen samen tonen de eigengereidheid van het nieuwe Duitsland.

Het bezoek van Waldheim, die in de Verenigde Staten persona non grata is wegens zijn oorlogsverleden, heeft natuurlijk een symbolische lading van jewelste. Wat niet wegneemt dat het groeiende verzet in Duitsland tegen de verdragen die in Maastricht zijn afgesloten een veel groter gewicht heeft. Kan het één nog worden afgedaan als een persoonlijke misser, de anti-EG stemming van de laatste maanden zou wel eens op een breder gedeelde herwaardering van de positie van Duitsland in Europa kunnen duiden.

Een enigszins eerlijk oordeel over de kritiek op de verdragen van Maastricht kan niet heen om de weerzin die ook elders valt te beluisteren. Daarbij hoeven we niet eens zo heel ver van huis te gaan. In Nederland onderscheiden de fractieleiders van de PvdA en de VVD zich steeds meer door een terughoudende opvatting over de stroomversnelling van de Europese integratie. Strekken de ambities van de Gemeenschap niet veel te ver, vragen Wöltgens en Bolkestein zich in vrijwel identieke bewoordingen af.

Bolkestein voegde daar onlangs een interessante observatie aan toe: “De Gemeenschap neemt teveel taken op haar schouders en legt daarmee de kiem voor nationalistische reacties” (NRC Handelsblad van 14 maart). Anders gezegd: nu de integratie een zeer directe bedreiging gaat vormen voor het kerndomein van de nationale politiek, zal de tendens om zich in de eigen schulp terug te trekken groter worden. Opvallend is dat Bolkestein met zijn analyse de oorzaak van eventueel nationalisme bij de Europese Gemeenschap legt, terwijl men met evenveel recht de defensieve houding van veel nationale parlementariërs in de EG-lidstaten zou kunnen kritiseren.

Hoe het ook zij, de stelling dat de voortgaande Europese eenwording weerstand oproept, is heel wel van toepassing op het debat over de monetaire unie in Duitsland. Wanneer we afzien van de meer zakelijke kritiek op onderdelen van de verdragtekst zoals die in Maastricht is aangenomen, dan blijft het beeld over van een gefrustreerd D-Mark nationalisme. Andere landen willen mee profiteren van de Duitse welvaart en door invoering van de ecu het herenigde Duitsland via een omweg opnieuw onder curatele stellen, zo menen velen.

Achter de angst voor een te losse discipline in monetaire aangelegenheden waardoor de stabiliteit van de Duitse munt zou kunnen worden aangetast, gaat een wereld schuil van verzet tegen de bedilzucht van de Europese Gemeenschap. De weerstand varieërt van Lafontaines uitgesproken "nee' tegen de verdragtekst, tot het meer ontspannen voorstel van CSU-minister Waigel om de ecu voortaan Euro-Mark te noemen.

Onze buren ontwaken en rekken zich geeuwend uit. Duitsland wordt dus duitser en daarmee zullen we moeten leren leven. Niet alleen omdat er weinig aan is te doen, maar ook omdat deze "normalisering' in principe gerechtvaardigd is. Nu de doorsnee naties in West-Europa steeds meer bedenkingen opperen bij de Europese integratie zoals die vorm krijgt in de verdragen van Maastricht, hoeft men van het verenigde Duitsland, dat veel meer te verliezen heeft, geen uitzonderlijke verhevenheid te verwachten.

Iets anders wordt het wanneer men zich in Duitsland als slachtoffer gaat gedragen, waar de verongelijkte verdediging van het bezoek van Waldheim een voorbeeld van is. Dan ontstaat het beeld van een land dat zich van buitenaf door overspannen verwachtingen en kritiek bedreigd voelt en van binnenuit wordt verteerd door oncontroleerbare sociale conflicten over de eenwording. Wanneer deze twee frustraties elkaar raken, dan wordt Duitsland werkelijk een probleem. In de eerste plaats voor zichzelf, maar door zijn ligging, omvang en geschiedenis niet lang daarna ook voor Europa als geheel.

Zover is het nog lang niet. Maar het stemt niet gerust wanneer een toch zeer diplomatieke oud-politicus als Egon Bahr op de vraag hoe hij denkt over stabiliteit van de democratie in zijn land, antwoordt: “Twee jaar geleden had ik gezegd: ik ben daar volkomen zeker van. Nu is dat niet meer zo. In hoeverre is de democratie bij ons ook een resultaat van de welvaart? Ik zou dat niet graag uitproberen, voor niets ter wereld”. (Die Zeit van 13 maart). De forse winst van extreem-rechts bij de deelstaatverkiezingen van gisteren laat zien dat zijn bange vermoedens niet uit de lucht zijn gegrepen.

De grote vraag is hoeveel ruimte het nieuwe Duitsland nodig denkt te hebben om deze dubbele opgave van de eenwording in eigen land en in Europa te volbrengen. En krijgt het deze ruimte van de omringende landen of wordt elke stap van Duitsland - als het bijvoorbeeld gaat om de bescherming van de Duitse gemeenschap in Polen of Rusland - opgevat als een uiting van doelbewuste arrogantie, zoals de Israelische hoogleraar Shlomo Avineri onlangs deed (de Volkskrant van 18 maart).

De plaats die Duitsland in Europa krijgt, gaat iedereen aan, maar is hoe langer hoe minder te beïnvloeden op de manier van voor 1989, namelijk een welwillende acceptatie van de vroegere erfvijand aan Europese zijde in ruil voor een Duitse zelfbeperking. Nu draaien de verhoudingen langzaam om en is het Duitsland dat de termen van de ruil bepaalt. De verliezer van weleer tast de grenzen van zijn nieuwe macht af: onzeker en zelfbewust tegelijk. En terwijl de buren ontwaken, draaien wij ons nog eens behaaglijk om. Daar zijn we al heel lang goed in.