Geesink beklaagt zich over steun voor breedtesport

NIEUWEGEIN, 6 APRIL. Er gaat te weinig geld van de olympische sponsors, het Nederlands Olympisch Fonds, naar de breedtesport. Van het geld dat de financiers opbrengen is negentig procent bestemd voor de toppers. Het olympische handvest streeft een ander ideaal na. Dat zei Anton Geesink, het Nederlandse lid van het Internationaal Olympisch Comité, zaterdag tijdens de opening van het nieuwe bondsbureau van de Koninklijke Nederlandse Zwem Bond in Nieuwegein.

Met onder andere WVC-minister D'Ancona onder het gehoor bracht Geesink, binnenkort vijf jaar lid van het IOC, zijn ongenoegen naar buiten over de verdeling van de gelden. De voormalige judoka heeft als voorzitter van de Bestuurscommissie Olympische Beweging binnen het NOC vooral te maken met de onderkant van de sportpyramide.

Volgens Geesink is het allemaal topsport wat de klok slaat bij het Nederlands olympisch gebeuren. Bestuurders vinden het fijn te scoren met een topper. Als er bezuinigd moet worden, gaat dat ten koste van de “Sports for All”. Binnen het NOC betekent dat geen geld voor de Nationale Olympische Academie, dus geen studentenafvaardiging naar Griekenland. De Jeugd Olympische Dagen werden van twee dagen ingekort naar één dag. Al het geld ging naar de top. “Waarom”, vroeg Geesink zich af. “Zoveel behoeft de uitzending naar de zomer-spelen niet te kosten. Logies en verblijf van de Nederlandse ploeg in Barcelona komen bijvoorbeeld geheel ten koste van het Internationaal Olympisch Comité, dat na de Spelen ook nog eens aan inkomstenverdeling doet, oplopend tot zo'n miljoen dollar per land.”

Gul zijn als het goed gaat, is gemakkelijk. “Eerlijk delen als de buikriem moet worden aangehaald, een kwestie van sociale rechtvaardigheid”, aldus het Nederlandse IOC-lid.

Het NOC, dat vroeger na de Olympische Spelen aan een vierjarige winter- en zomerslaap begon, hoopt in 1993 goede sier te maken met de organisatie van de Europese Jeugd Olympische Dagen in Valkenswaard. Die gebeurtenis is uit Geesinks pakket gehaald en ondergebracht bij de topsport. Uiteraard tegen Geesinks zin: “Het Nederlands Olympisch Fonds gaat met een breedtesport-evenement op pad om gelden te genereren voor de topsport.” Het IOC-lid wees erop dat de breedtesport daar slechts die tien procent voor terugkrijgt.

Geesinks woorden vielen goed bij de zwembestuurders. De meer dan honderdjarige bond heeft vanouds een stevige binding met de onderlaag. Met de toppers lukt dat soms wat minder. De heibel over de gedragscode is daarvan een voorbeeld. Hedy d'Ancona suggereerde met de invoering te wachten tot WVC klaar is met het Statuut voor de Topsporter.

De minister zegde de KNZB steun toe bij het ontwikkelen van een sportstimuleringsbeleid voor allochtonen. De zwembond is daar nog niet aan toe gekomen. Het grote probleem van de KNZB is, dat het leren zwemmen in andere handen is overgegaan. Veel kinderen halen hun eerste diploma's als ze vijf, zes jaar zijn. Te jong om lid van de bond te worden.

De vier sectoren van de KNZB zwemmen, waterpolo, schoonspringen en kunstzwemmen tellen bij elkaar 170.000 leden. Een aardig aantal, maar vergeleken met de tien miljoen Nederlanders die de zwemkunst machtig zijn, een schijntje.