FMO richt blik op Oost-Europa

DEN HAAG, 6 APRIL. De Nederlandse Financierings-maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) verlegt haar grenzen. Hield de ontwikkelingsbank zich tot nu toe uitsluitend bezig met ondersteuning en financiering van het bedrijfsleven in ontwikkelingslanden, sinds een half jaar richt zij zich ook op Oost-Europa.

In september 1991 ontving de FMO een startbedrag van 5 miljoen gulden van het ministerie van economische zaken voor steun aan Nederlands-Oosteuropese joint ventures. Die steun is bedoeld als "duwtje in de rug' voor Nederlandse bedrijven die denken over samenwerking met een bedrijf in Oost-Europa of daar net mee zijn begonnen. Zo kunnen bedrijven bij de FMO aankloppen voor financiële steun om de haalbaarheid van een joint venture in Oost-Europa te onderzoeken, een manager uit te zenden naar een Oosteuropees bedrijf om trainingen te verzorgen of een kleinschalig proefproject op te zetten om te kijken of een investering zinvol is.

Deze nieuwe activiteit trekt veel belangstelling, aldus drs. A.J. Weitenberg, regio manager bij de FMO voor Oost- en Zuid-Europa. Ruim honderd bedrijven hebben zich al aangemeld en verwacht wordt dat dat aantal in 1992 zal oplopen tot 175 à 200. De 5 miljoen gulden van Economische Zaken is dan ook niet toereikend, verwacht Weitenberg. Alleen al de eerste tien bedrijven die zich aanmeldden, vroegen de FMO in totaal om 1,8 miljoen gulden. Het ministerie heeft de steun voor dit jaar inmiddels verhoogd tot 10 miljoen gulden. Tot de aanvragers behoren onder meer een zaadveredelingsbedrijf dat in Nederland te weinig grond heeft en in Tsjechoslowakije alle ruimte hoopt te vinden voor onderzoek, en een visserijbedrijf dat, getroffen door quota, uitwijkt naar het Russische Kamchatka om daar vis te verwerken en te verkopen aan Japan.

De "startsubsidie' van de FMO aan joint ventures in Oost-Europa lijkt op de programma's voor investeringsbevordering en technische assistentie (IBTA) die de FMO sinds 1987 uitvoert in de Derde wereld. Jaarlijks krijgt de FMO hiervoor een bedrag van het ministerie van ontwikkelingssamenwerking. De steun aan Nederlandse bedrijven die joint ventures aangaan in ontwikkelingslanden en in Oost-Europa, wordt verleend in de vorm van schenkingen en bedraagt maximaal 50 procent van de kosten voor bijvoorbeeld een haalbaarheidsonderzoek.

Hoewel niemand de deur wordt gewezen, zijn het vooral middelgrote bedrijven die hulp krijgen van de FMO. Weitenberg: “De grote kunnen zelf de risico's wel dragen en voor de kleine is de stap naar Oost-Europa te groot.”

Polen blijkt verreweg het aantrekkelijkste land om zaken mee te doen. “Net als Nederland kent Polen een belangrijke landbouw- en distributiesector en die verwantschap is voor Nederlandse bedrijven aantrekkelijk”, aldus Weitenberg. Wat hem verbaast, is dat de Nederlandse activiteiten in Roemenië nog steeds op een laag pitje staan. “Ook dat land heeft veel agrarische mogelijkheden en het feit dat het Ceausescu-bewind geen schulden heeft achtergelaten is voor buitenlandse investeerders toch aantrekkelijk, zou je denken. Mogelijk heeft het te maken met de politieke situatie die lang onzeker is geweest.”

Voor cijfers over succesvolle joint ventures of bedrijven die na een eerste verkenning toch afzien van activiteiten in het voormalige Oostblok is het nog te vroeg, volgens Weitenberg. Vast staat dat de risico's voor Nederlandse bedrijven groot zijn. Het management in Oosteuropa is òf onervaren òf erg "staatsgericht'. Werknemers moeten nog wennen aan het verschijnsel "winst maken' en op het juridische vlak - vooral het milieuvraagstuk - bestaat veel onzekerheid. In welk tempo bijvoorbeeld gaan de overheden milieu-eisen stellen aan bedrijven en wie moet opdraaien voor saneringen?

In de toekomst wil de FMO de activiteiten in Oost-Europa uitbreiden. Gedacht wordt onder meer aan partner search: steeds meer Oosteuropese bedrijven zullen bij de FMO aankloppen met het verzoek uit te zien naar een geschikt Nederlands bedrijf om samen een joint venture op te zetten.

Een logisch vervolg van de ondersteunende taak waartoe de FMO zich nu wat Oost-Europa betreft beperkt, is de oprichting van een investeringsfonds, vindt prof.dr. L.B.M. Mennes, algemeen directeur van de FMO. Uit dat fonds zou de FMO zelf projecten kunnen financieren. Als een Nederlandse ondernemer bijvoorbeeld 15 miljoen gulden wil investeren in een Pools bedrijf, kan de FMO in de vorm van een lening of aandelen een gedeelte financieren. Voor ontwikkelingslanden bestaat een dergelijk fonds al sinds de oprichting van de FMO in 1970 en de portefeuille bedraagt thans bijna 1 miljard gulden. De oprichting van een investeringsfonds voor Oost-Europa is al goedgekeurd door de Tweede Kamer en de beslissing over de toewijzing ervan wordt elk moment verwacht. Directeur Mennes heeft goede hoop het fonds binnen de FMO-muren te krijgen, “gezien de jarenlange ervaring die wij hebben met het financieren in risicovolle landen”.

Overigens is er voor investeerders wel iets veranderd sinds de FMO een jaar geleden zelfstandig werd. Werden verliezen van de FMO vroeger betaald door Ontwikkelingssamenwerking, nu werkt de vennootschap voor eigen risico. Wel ontvangt ze van Ontwikkelingssamenwerking nog twee jaar een bijdrage in de kosten van de herstructurering. Het eigen risico heeft ertoe geleid dat de FMO strenger is geworden bij de beoordeling van verzoeken om financiering en meer zekerheid wil omtrent de gezondheid van bedrijven.

Mennes onderstreept dat de fondsen van Ontwikkelingsamenwerking en Economische Zaken richting FMO strikt gescheiden zijn. De 983 miljoen gulden die hij ontvangt voor ontwikkelingslanden, mogen niet worden ingezet voor Oost-Europa. Hij zet voorzichtig enige vraagtekens bij de strikte scheiding. “Joegoslavië behoort traditioneel tot de ontwikkelingslanden en was tot nu toe het enige land in Oost-Europa waar de FMO kon financieren. Ik hoop dat het budget van Ontwikkelingssamenwerking omhoog gaat en dat Oost-Europa voor dat verhoogde budget in aanmerking komt.”

De 175 miljoen die nu uit Nederland richting Oost-Europa (exclusief GOS) gaat, noemt Mennes, te weinig. “Om dat gebied op ons welvaartspeil te brengen is tien jaar lang 700 miljard gulden nodig. Vorig jaar kwamen de internationale investeringen in Oost-Europa, afgezien van de GOS en Oost-Duitsland, niet boven de 15 à 20 miljard uit. We moeten Oost-Europa, ook al weten we dat die landen verschillen van de traditinele ontwikkelingslanden, beschouwen als een gebied dat een begin maakt met ontwikkeling, zeker wat betreft het particuliere bedrijfsleven. Nu wordt er te veel in geografische blokken gedacht en te weinig in termen van een ontwikkelingsproces.”