Durand bestrijdt crisis in Franse profwielrennen

MEERBEKE, 6 APRIL. Het Franse wielrennen verkeert in een ernstige crisis. Doordat Toshiba eind vorig jaar als sponsor afhaakte telt het land nog slechts drie volwaardige professionele ploegen, Castorama, RMO en Z, geldschieters die aan het slot van deze competitie een punt achter hun activiteiten willen zetten. Er zijn dit seizoen maar vijf Franse néo-profs en een aantal vedetten is voor veel francs naar het buitenland gevlucht.

Jean-Francois Bernard verlengde zijn verblijf in Spanje, Laurent Jalabert zocht zijn heil eveneens bezuiden de Pyreneeën, de gebroeders Marc en Yvon Madiot bezweken voor harde Duitse marken en Laurent Fignon verhuisde naar Italië, waar wereldkampioen Gianni Bugno denkt dat de egocentrische “professeur” zich voor hem in het zweet zal fietsen.

Tegen die achtergrond kwam de overwinning van Jacky Durand in de Ronde van Vlaanderen gisteren voor Frankrijk als een geschenk uit de hemel. Favoriet Edwig van Hooydonck mocht na afloop terecht melden dat “de toprenners zo'n schone zege niet hadden mogen weggeven”, zijn eveneens hoog aangeschreven collega Frans Maassen van Buckler sprak van “een kapitale vergissing van het peloton”, in het Franse kamp echter strooide men met superlatieven. A new star was born, de volslagen onbekende Durand trad in de voetsporen van de legendarische Louison Bobet en Jean Forestier, de twee enige eerdere Franse winnaars van “Vlaanderen”, die in 1955 en 1956 op de hoogste trap van het ereschavot plaats namen.

De geschiedenis leert dat het parcours van de klassieker onbarmhartig is, dat de renners veelal bloot staan aan “onmenselijke ellende” door regen, wind, bulten en gladde kasseien. Maar in de editie van 1992 was van dat grote leed niet echt sprake. Want de weergoden waren lief voor de fietsende meute. Een zonnetje begeleidde de bonte stoet die 's ochtends even na tienen Sint Niklaas verliet. Misschien daardoor heerste er een milde stemming in de grote groep en haalde die de schouders op toen Patrick Roelandt, Hervé Meyvisch, Thomas Wegmüller en Durand al na 43 kilometer wegsprongen. Was dat geen pure zelfmoord? Het kwartet mocht zijn gang gaan. Zelfs toen het een voorsprong had van ruim 22 minuten.

“Op dat moment”, herinnerde Maassen zich aan de streep, “ben ik enkele oudere renners gaan vragen of dat verschil niet al te groot werd.” Welnee, kreeg de Limburger als antwoord, maak je geen zorgen. Dat stelletje komt straks de man met de hamer tegen. Van Hooydonck, in '89 en '91 eerste in “Vlaanderen”, was er ook niet zo gerust op. Temeer niet, daar de kloof groot bleef. Op 85 kilometer van de meet in Meerbeke lag het viertal nog dertien minuten voor. “Van die Wegmüller”, zuchtte Van Hooydonck, “weet je dat hij veel in zijn mars heeft. Een ouwe, die Zwitser, maar iemand die zelfs in zijn eentje een hele dag lang een tempo van tegen de 45 in het uur kan vasthouden.” Daarom had de Belg ook twijfels over zijn kansen, toen hij samen met Maurizio Fondriest achter Wegmüller en Durand aanjoeg. Dat deed hij op de Muur van Geraardsbergen. Daar waren de dappere naamlozen Roelandt en Meyvisch compleet uitgeteld en moesten nog zestien kilometer worden afgelegd.

Voor “de Muur”, de dertiende en voorlaatste helling, hadden andere helpers en kopmannen geprobeerd de vluchters tot de orde te roepen. Het trainingsdier Adri van der Poel, bijvoorbeeld, de bijzonder fit ogende Johan Capiot, Gerrit Solleveld en Johan Museeuw. Maar de echte vaart zat er niet in, terwijl ook het samenspel tussen de ploegen ontbrak om een vuist te maken tegen de brutale rebellen. Een afgang voor de duur betaalde elite. De snelle Museeuw, hoog genoteerd bij de bookmakers, verspeelde zijn kansen door een onfortuinlijke val. Datzelfde lot trof Moreno Argentin en zijn maten Rolf Järmann en Rolf Sörensen. Maar dat trio vroeg om een tuimeling, althans volgens ex-campionissimo en fietsenbouwer Eddy Merckx. “Die mannen van Ariostea rijden met een rechte vork en met carbon. Bergop is dat een pré. Bij het dalen is dat een stevig nadeel. Hun fiets zweeft dan als het ware, dat leidde al eerder tot slippers, denk maar aan die van Sörensen en Argentin in de ploegentijdrit van de Tour. Het materiaal vangt de schokken niet op. Trouwens, wegens diezelfde handicap verloor Argentin een paar weken geleden ook Milaan-Sanremo. Op een perfect uitgebalanceerd rijwiel had hij die zeven à acht seconden voorsprong bij de Poggio op Sean Kelly nooit meer ingeleverd.”

Durand en Wegmüller konden zo aan kop blijven. Maar de vermoeide Wegmüller, de motor van de lange vlucht, had op veertig kilometer voor het einde last van “gesputter”. De geroutineerde tijdrijder zag Durand later alléén wegglippen. Via de motorrijders hoorde de 25-jarige Durand dat er op hem werd gejaagd. Maar de toppositie gaf hem vleugels. De renner uit West-Frankrijk, bijna-Breton, cyclo-crosser en trainingsmaatje van de twee Madiots, kon in de slotfase zelfs nog versnellen. “Ongelooflijk”, jubelde hij na zijn zege. Zijn explosie was ook opzienbarend. “Misschien noemen ze me wel een eendagsvlieg”, zei hij in Meerbeke, “zoals Demol een paar jaar geleden na diens triomf in Parijs-Roubaix. Kan me niet schelen. Binnen is binnen. En Cyrille (Guimard, zijn niet aanwezige ploegleider, red.) zal er ook dolgelukkig mee zijn. Deze winst zal het gemakkelijker maken een nieuwe sponsor te vinden.” Durand, die als amateur meer dan eens met succes Belgische wedstrijden opzocht, bewees Guimard een grote dienst. Het Franse wielrennen eveneens. Want hij leverde in elk geval een bijdrage aan het bestrijden van de ernstige crisis in zijn land.