Alphense raad vergadert vanavond over Coupépolder; Positie burgemeester Paats wankel

ALPHEN A/D RIJN, 6 APRIL. Als burgemeester M. Paats van Alphen aan den Rijn vanavond om halfacht voor de zoveelste keer als voorzitter van de gemeenteraad optreedt, vindt hij op zijn minst 15 van de 31 aanwezige raadsleden ook in figuurlijke zin tegenover zich. Van de zeven fracties willen er vijf (VVD, D66, Groen Links, Socialistiese Partij en RPF/GPV) de burgemeester weg hebben danwel zijn positie ter discussie stellen.

Dit alles naar aanleiding van zijn rol bij de opzienbarende gifzaak in de Coupépolder, waarover de onderzoekscommissie-Engwirda kort geleden onder het motto "De onderste steen' een boekje opendeed.

Van die vijf fracties maakt alleen de VVD deel uit van de in Alphen regerende coalitie, die verder bestaat uit PvdA en CDA. Dit zijn de enige partijen die zich vooraf niet publiekelijk over de CDA'er Paats hebben uitgesproken, maar hun kruit droog hielden voor de vergadering van vanavond.

Het heeft er niettemin alle schijn van dat een eventuele motie, die er bijvoorbeeld bij Paats op aandringt “zich op zijn positie als burgemeester te beraden”, een meerderheid haalt. Veel zal afhangen van de opstelling van de PvdA. Daarbij doet zich voor de brede oppositie tegen Paats wel de complicatie voor dat ze twee stemmers moet missen. De fractievoorzitter van de VVD is met vakantie en van de vier D66'ers kan er één om medische redenen niet aanwezig zijn.

Terwijl de raad de formele bevoegheid om een burgemeester weg te sturen mist, lijkt Paats in elk geval vastbesloten niet uit eigen beweging zijn ambtsketen in te leveren. “Om maar met de deur in huis te vallen: het ligt niet in mijn voornemen mijn functie neer te leggen”, zei hij anderhalve week geleden in een verklaring tegenover de pers, nadat de inhoud van het rapport-Engwirda officieel openbaar was gemaakt. Het uitvoerige verslag, dat de periode 1977-1982 bestrijkt, bevat een aantal harde verwijten aan het adres van het toenmalige gemeentebestuur, in het bijzonder B en W. Het spreekt van nalatigheid, van handelen in strijd met bindende voorschriften, van bestuurlijke desinteresse en van vergoelijkende reacties op verontrustende signalen over misstanden op de vuilnisbelt. Bovendien wordt vastgesteld dat B en W de raad onvolledig en ook onjuist hebben ingelicht.

Dat juist Paats hieruit de consequenties zou moeten trekken, komt omdat hij als enige vertegenwoordiger van het toenmalige college nog in functie is. De verantwoordelijke wethouder uit de bewuste periode, D. van Leeuwen, is als gepensioneerd bestuurder "ongrijpbaar'.

Paats zelf liet, anderhalve week geleden tenminste, geen onduidelijkheid bestaan over zijn standpunt. Hij wenste niet te vertrekken en voerde daar een reeks argumenten voor aan, die het beeld van de falende magistraat moesten verzachten. Was hij het niet geweest die “meerdere malen” initiatieven had genomen om zaken tot klaarheid te brengen? Had hij niet naar de gestorte gifvaten laten graven? “We hoeven”, aldus Paats, “niet mee te doen aan de behoefte Barbertje te zien hangen.”

De burgemeester, zoals die uit het rapport-Engwirda oprijst, is inderdaad geen man die willens en wetens het verkeerde pad insloeg. Wel getuigde zijn optreden in de affaire-Coupépolder van onhandigheid en naïviteit. Commissievoorzitter Engwirda zei het ook met zoveel woorden: “De opstelling van burgemeester Paats was, hoewel goedwillend, ook naïef.” En dat wordt in de politiek soms genadeloos afgestraft. Zie bijvoorbeeld de val van minister Braks. Toen de PvdA-Kamerfractie Braks van falend beleid in de visserijkwestie en van onvolledige informatie aan het parlement betichtte, zag de bewindsman zich genoodzaakt zijn biezen te pakken. Een burgemeester mag dan geen minister zijn, in het geval-Paats zijn vergelijkbare beschuldigingen in het geding.

Een verzachtende omstandigheid die Paats in zijn verweer aanvoerde, was hem door Engwirda en diens mede-onderzoekers, stuk voor stuk Alphense raadsleden, aangereikt. De gesignaleerde fouten moesten in de context van twaalf jaar geleden worden geplaatst. Dat was “een tijd waarin het milieubeleid, zeker wat betreft de bodembescherming, nog in de kinderschoenen stond”, aldus de inleiding van het rapport. Twaalf jaar geleden, 1980 dus. Maar dat was ook het jaar waarin het eerste grote gifschandaal van Nederland tot uitbarsting kwam: dat van Lekkerkerk. Sinds 3 april 1980 zou die affaire om de haverklap in de media opduiken. Amper twee maanden later maakte een PvdA-raadslid in Alphen gewag van een reeks misstanden in de Coupépolder, waaronder het aannemen van stortfooien en gebrek aan toezicht op de belt. Maar de raad nam zijn opmerkelijke verhaal niet serieus. "Lekkerkerk' was dus blijkbaar niet het teken aan de wand dat het had moeten zijn, ook niet voor het Alphense gemeentebestuur.