WISKUNDE

The Crest of the Peacock. Non-European Roots of Mathematics door George Gheverghese Joseph 368 blz., geïll., I. B. Tauris 1991, f 65,55 ISBN 1 85043 285 6

Duizend jaar voor Pythagoras werd de bekendste stelling uit de wiskunde met succes toegepast door de Babyloniërs. De inhoud van een afgeknotte pyramide was gesneden koek voor de oude Egyptenaren. Omstreeks 480 na Christus benaderde Tsu Chung Chih het getal pi (de verhouding van een cirkelomtrek tot de bijbehorende middellijn) tot op zeven cijfers achter de komma, een nauwkeurigheid die in 1429 door Al-Kashi uit Perzië met nog eens tien decimalen werd uitgebreid. En op een moment dat de Grieken het na de myriade (tienduizendtal) voor gezien hielden, boog men zich in India over het getal 8400000 tot de macht 28.

Toch zijn er historici die de oorsprong van de wiskunde onveranderd bij de Grieken plaatsen. Het is dit "eurocentrisme', deze "historiografische vooringenomenheid', die George Gheverghese Joseph, opgegroeid in India en Afrika en op het moment werkzaam aan de universiteit van Manchester, wenst te bestrijden. Daartoe heeft hij een imposant overzicht samengesteld van niet-Europese wiskunde, van de telstreepjes op het Ishango bot (Centraal-Afrika, ca. 10000 v. Chr.), via de Inca-quipu's koorden met series knopen) en de verbluffend nauwkeurige Maya-kalenders, tot de wiskundige geschriften van de oude Egyptenaren, Babyloniërs, Chinezen, Indiërs en Arabieren. Tegelijk gaat Joseph in op dwarsverbanden tussen de verschillende culturen, zoals ten tijde van de Alexandrijnen.

Met klem verzet Joseph zich tegen de bewering als zou in Egypte en Babylonië geen "echte' wiskunde zijn bedreven. Echte (lees: Griekse) wiskunde bezit, aldus de Eurocentrist, algemeen geldende regels, maakt gebruik van abstracties, hanteert strikte bewijsvoeringen, maakt onderscheid tussen exacte resultaten en benaderingen en is niet-utilitair. Voor een deel gaat het meningsverschil terug op de precieze definitie van deze begrippen. Behoren de algoritmes (rekenkundige oplossingschema's) van de preklassieke beschavingen tot de echte wiskunde of begint die pas met de invoering van algebraïsche symbolen?

In zijn aanval op het eurocentrisme draaft Joseph soms wat door. Wie bijvoorbeeld A Concise History of Mathematics van D. J. Struik openslaat (door hemzelf vertaald als "Geschiedenis van de wiskunde'), een veelgeprezen inleiding uit 1948, vindt wel degelijk de wiskundige prestaties van niet-Europeanen naar waarde geschat. Bij Struik geen Arabieren als "schatbewaarders' van de Griekse wiskunde, zoals de eurocentrist doet voorkomen, maar een overzicht van hun verdiensten, onder andere op het gebied van de trigonometrie. Te vaak richt Joseph zijn pijlen op een karikatuur.

""Zoals de pluim op de pauw, zoals de sierselen op de kop van de slang, zo is de wiskunde de kroon van alle kennis'', citeert Joseph een aforisme van Vedanga Jyotisa van circa 500 v. Chr. De enorme verdienste van The Crest of the Peacock is de volledigheid van het gepresenteerde materiaal. Het schrijven van een dergelijk overzichtswerk is weinigen gegeven: veel bronnenmateriaal is onvertaald en welke historisch geschoolde wiskundige (of wiskundig geschoolde historicus) is ook nog eens bekend met Sanskriet, Chinees en Arabisch?