Waarin ik midden overdag toch nog tegen ...

Waarin ik midden overdag toch nog tegen Enzensberger opbots

De omineuze woorden van hoofdredacteur Walter Decheiver galmden na over de tafel vol half leeggegeten borden in het Ristorante Miramare. ""Ik had gehoopt dat je het mij zèlf zou vertellen, Daan.''

Mein Gott, dacht ik en probeerde hem tevergeefs uitdrukkingloos aan te kijken: hij zou toch niet weten dat de bandjes van mijn interview met Enzensberger zo lelijk stuk waren? Hoe nu verder, vluchten kon niet meer!

""Het is,'' vervolgde Decheiver, terwijl hij zijn stem met hoofdredactionele routine een heel octaaf liet zakken, ""onvergeeflijk, Daan. Het is stom, Daan. Gewoon stom!''

Ik had het kunnen weten: eten met Walter Decheiver was levensgevaarlijk. Ook deze lunch liep, zo bleek nu zonneklaar, na zijn onverwachte zielstuimel uit op een hoofdredactionele high-noon.

""Nou, eh... mhaaaw,'' probeerde ik de situatie te diagnostiseren terwijl ik zijn glas nog eens bijschonk. Veiligheidshalve zocht ik alvast naar de juiste snaar voor een deemoedig mea maxima culpa dan wel voor een heroïsche poging mijn journalistieke Maginot-linie te verdedigen. ""Walter,'' zou ik zeggen, ""Ik weet dat het ongelukje met de taperecorder even niet zo professioneel overkomt, maar je denkt toch niet dat ik geen aantekeningen maak tijdens een gesprek met zo een Grote Duitse Denker? Alles is onder controle. Je weet: de reputatie van onze titel staat altijd voorop, ik zal...''

Maar juist toen ik wilde inzetten, sprak hij de verlossende woorden: ""Je hebt gesnoefd, Daan. Gesnoefd! Je mond voorbij gepraat over Enzensberger! In eetcafé Bazel, met die columnistenvriendjes van je! Je hebt ons idee weggegeven, Daan! En daarmee heb je ons in een lelijk parket gebracht. Ik hoorde net van professor Bep Bakhuys dat Boek in Boek uit nu ook al met Enzensberger bezig is. En dat niet alleen, Daan: de HP / De Tijd heeft een speciaal Enzensberg-target-team. De jongens van De Echo zijn al gesignaleerd in Bahnhof Zoo! De Groene Amsterdammer heeft geprobeerd onze knipselmap te lenen voor een Enzensberger-essay-special. Dat kunnen we niet hebben, Daan. Dat geeft gedonder - daar gaat ons Unique Selling Point. We hebben al genoeg te duchten van Ursul de Geer die hem in zijn teevee-programma heeft! De enige manier om meer heisa te voorkomen, is als we je stuk een week naar voren halen.''

Alle Jezus, dacht ik terwijl er een golf van opluchting door mijn middenrif trok, is dat alles? Ik kon Decheiver wel omhelzen, ware het niet dat er akelige restjes Gorgonzola om zijn mondhoeken waren achtergebleven. ""Walter, jongen, is dat alles...,'' riep ik vrolijk, ""Waar maak je je druk over? De Groene Amsterdammer, bestaat die nog? Een target-team van HaaPeeDeTijd? Die hebben moeite genoeg hun korte broeken omhoog te houden? Te veel schwere Wörter, jongen! Dat is allemaal toch geen concurrentie! Wij bepalen toch de modaliteiten van het cultureel debat hier te lande als degenen die de slingerbeweging van het tijdsgewricht in kaart brengen door de vinger aan de pols te houden van het Europese huis in het kruiend wereldbeeld - en dat allemaal in kringen die er toe doen!''

Tevreden leunde ik achterover. Dit had ik niet geoefend en toch kwam het er zonder haperen uit. Sinds mijn voordracht aan de School voor Journalistiek, die mij destijds nog driehonderd gulden opleverde, had ik niet meer zo overtuigend gesproken. Het was jammer dat ik deze snedige opmerkingen tegen Decheiver kwijt moest, want in een serieus boekenprogramma op de televisie hadden ze zeker niet misstaan.

De hoofdredacteur keek mij plotseling opgelucht aan. Toen hij een boer liet, wist ik dat het zware weer voorbij was. Menselijk gesproken dan. Om mijn pointe te verduidelijken, trok ik zelfbewust mijn portefeuille. Leeg. Gelukkig had ik nog één girobetaalkaart. ""Geen muizenissen, Walter,'' sprak ik euforisch, ""We hoeven het stuk niet te vervroegen. Alles is onder contrôle wat operatie Enzensberger betreft. Je kunt op mij rekenen. This one is on me!''

Terwijl ik mij snel uit de voeten maakte, calculeerde ik dat ik deze shoot-out met de hoofdredacteur voorlopig op punten gewonnen had, daar onsamenhangende kreten van instemming mij begeleidden naar de uitgang: ""Zo ken ik je weer, Daan! That's my boy! We gaan er iets moois van maken! We scoopen de hele handel, Daan. A propos, ober, nog een fles rood op de rekening van mijn fijne collega!''

Alle Jezus, dacht ik, dit is journalistiek in Nederland, and I love it. Buiten scheen de zon. Verdwaald tussen mijn eigen angst en hoogmoed zweefde ik ongemerkt richting Dam.

Daar ontwaakte ik ruw toen ik opbotste tegen een man van VUT-gerechtigde leeftijd in een trench-coat. Hij zag eruit alsof hij in 1957 op de zesde plaats was geëindigd van de James Dean-look-alike-contest te Helmond. En dat was ook zo. ""Dag Daan,'' sprak de man op de genuanceerde toon, ""Het is mooi weer. En tijd voor een nieuwe politieke partij, vind je niet? Wij van De Herenclub hebben het er al vaak over gehad, en nu dachten we: kom, het wordt tijd voor een nieuwe politieke partij.''

Grote goden, nu wist ik het, hij had iets van doen met Sociëteit De Herenclub. Donnerwetter, moest ik daar niet een dezer dagen een voordracht houden? Ik probeerde hem socratisch toe te knikken, maar aarzelde of ik hem zou tutoyeren. ""Haa, zeg dag! Alles goed?''

Hij knikte vagelijk terug. ""Tot vanavond, hè!'' zei hij en wandelde diep in zijn trench-coat verzonken peinzend richting Scheltema (maar niet de gelijknamige boekhandel).

Voordat ik goed en wel besefte dat ik inderdaad over enkele uren reeds voor De Herenclub verslag moest doen van mijn entretien op Bahnhof Zoo met de Grote Duitse Denker, keek een paar holle ogen mij doordringend aan. Ik voelde een rilling over mijn ruggegraat trekken. Als je over de duivel denkt!

Alle Jezus, er was geen twijfel mogelijk! Dat was Enzensberger zelf, daar in de etalage van de Bijenkorf!

""Gutentag, wie geht's,'' fluisterde ik geschrokken. Door het dikke glas heen probeerde de Grote Duitse Denker mij iets toe te roepen, zoveel was duidelijk; maar wat betekende het? Wanhopig probeerde ik zijn lippen te lezen, auf Deutsch nog wel. Zei hij nu: ""Schreiben, Daan! Es ist jetzt höchsten Zeit zu schreiben. Über unsere Begegnung und über die Bewusstseinsindustrie in Europa und über Journalismus als Eiertanz, Daan.''? Of was het: ""Je hebt je reputatie bij de hoofdredacteur even gered, Daan, maar je ziel niet!''

Toen besefte ik met een schok dat het helemaal niet Enzensberger was die mij met holle ogen aankeek. Ik was het zelf.

Grote goden, dacht ik, het wordt tijd voor een verre vakantie.

(Wordt vervolgd)