Voetnoten

Het verhaal over de Italiaanse aronskelken is nog niet af. Ik schreef er vorig jaar over (Buitenlust 57), eerst weeklagend dat ze niet opkwamen, en vervolgens jammerend dat zij, toen ze na een jaar lang geen teken van leven te hebben gegeven dat tenslotte toch deden, van de verkeerde soort bleken te zijn: niet Arum italicum "Pictum', onder welke naam zij mij waren verkocht, maar de gewone soort met effen bladeren in plaats van gemarmerde. Sedertdien heb ik van andere mensen gehoord dat ook hun bollen aanvankelijk niet opkwamen; een vriendin beschreef hoe zij er steeds meer had gekocht, met het gevolg dat na verloop van tijd hele kolonies ervan verspreid stonden door de tuin.

In feite is dat wat ik ook heb gedaan. Alleen kocht ik ze, door ervaring wijs geworden, of dat dacht ik, de tweede keer in het tuincentrum in potten, met gezag geëtiketteerd als "Pictum'. Niet meer dan een paar loten waren zichtbaar toen ik ze kocht en zoals ik niet hoef te vermelden bleken die even ongemarmerd als de andere. Het zij zo, dacht ik, die exotische variëteit is niet voor mij, ik was nu eenmaal een van degenen die voorbestemd waren nooit anders dan de gewone saaie variëteit te bezitten.

Zeker, het ware tuinieren bestaat er uit dergelijke gedachten van je af te schudden: pas wanneer alle uitwegen geblokkeerd zijn, volgt de filosofische berusting. En het is waar, de volgende keer dat ik ergens aronskelken te koop zou zien, zou ik het toch weer hebben geprobeerd.

Maar intussen kwam de echte verrassing. Deze winter begonnen de exemplaren uit het tuincentrum weer op te komen en waarachtig, de bladeren leken werkelijk enige tekening te hebben. Nu trad een wonderlijk mechanisme in werking: ik geloofde het niet. Het was niet mogelijk, ze hadden vorig jaar al bewezen de verkeerde te zijn. Ik nam zo weinig mogelijk notitie van ze. Maar tenslotte werd het mij toch te machtig: ik keek eerst naar de effen exemplaren en toen naar deze: het was onmiskenbaar.

Het gebeurt wel dat je een nieuw woord leert en het meteen daarna weer tegenkomt, soms op dezelfde dag al. Zo ging het ook met de aronskelken: vrijwel meteen nadat ik me aan de evidentie had overgegeven, las ik ergens een artikel over bladplanten, en daarin werd uiteengezet dat mensen vaak tot hun teleurstelling ontdekken dat hun aronskelken effen bladeren hebben in plaats van gemarmerde. Ha, dacht ik, eindelijk iemand die dezelfde ervaring heeft. Maar, ging het artikel verder, dan moet men niet wanhopen, de reden is dat degene die je koopt zaailingen zijn, en die hebben in hun eerste jaar nog geen gemarmerde bladeren; die krijgen ze pas later. Hoe nuttig is een beetje kennis: hoeveel aronskelken zijn een jaar voor hun gedaanteverwisseling door verbolgen tuiniers uit de grond getrokken?

* * *

Wat is er met Gardeners' World gebeurd? Wie zijn al die mensen? Volgens het tijdschrift The Garden is Stefan Buczacki de meest populaire tuinpresentator op de Engelse televisie; mij persoonlijk deert het niet zo dat hij weg is. Maar waar is Nigel Colborn?

* * *

Twee weken geleden vroeg ik me af waarom rozen op vreemde onderstammen worden geënt als ze ook heel goed op hun eigen wortels kunnen groeien. Het antwoord leek te zijn dat het nu eenmaal altijd op die manier werd gedaan (je vraagt je af hoe het ooit is begonnen), en dus gaat het zo door. Ik heb de kwekerij waar ik mijn rozen had gekocht nog gevraagd waarom ze op andermans wortels stonden en kreeg ten antwoord dat die wortels minder kieskeurig waren met de groeivoorwaarden en dus betere resultaten zouden geven. Geen opwekkend antwoord voor iemand die net een roos met eigen wortels had geplant.

Maar het schrijven er over in deze rubriek bracht de oplossing: ik kreeg een brief van een bekende rozenkwekerij in Bussum die meedeelde veel rozen op hun eigen wortels te kweken. De gangbare methode is geëigend, blijkbaar, voor rozen in het ""openbaar groen'': die moeten nogal robuust zijn om tegen de behandeling te kunnen die zij ontvangen: ""in plaats van een snoeischaar hanteert men daar de maaibalk'', zoals de steller van de brief het formuleerde.

Ik huiverde toen ik het las: er bevindt zich wat van dat openbaar groen (misschien beter beschreven als een grootschalige honden-uitlaatstrook) in de buurt van waar mijn dochter naar muziekles gaat en deze beschrijving stemt volledig overeen met wat daar met de rozen gebeurt. Ze worden uniform vlakbij de grond afgeknipt. Elke week vroeg ik me af hoe ze het maakten; het is troostend te weten dat ze althans een overlevingskans hebben.

Sommige rozen gedijen op eigen wortels beter dan andere. Eenmaal per jaar bloeiende en oude (klim)rozen doen het uitstekend, terwijl de meeste grootbloemige en trosrozen er minder voor geschikt zijn, die groeien merkbaar minder goed. Mijn "Paul's Himalayan Musk Rambler' valt duidelijk in de eerste categorie: in plaats van met een ongerust hart naar haar te kijken, kan ik me nu verheugen over haar eigenworteligheid.

* * *

Iemand heeft eens gezegd, ik weet niet meer wie, dat bollen de duurste eenjarigen zijn die je kunt krijgen. Eerst dacht ik dat dit alleen maar een aardigheid was, maar de laatste tijd begin ik in te zien dat er een diepe waarheid in schuilt. Je koopt ze en plant ze en ze komen op en zijn schitterend, maar dan valt het doek, het jaar daarop zijn ze alleen nog maar een herinnering. Narcissen, tulpen, winteraconieten, allemaal weg. Ook de erythroniums gaan achteruit.

Wat is er mis? Het idiote is dat je degenen die wel terugkomen niet op prijs stelt (ornithogalum, corydalis, kleine krokussen), terwijl bezorgdheid over het lot van de nieuwe (scilla's en kievietseitjes - deze laatste zijn het mooiste in de tuin op het ogenblik) mijn plezier in hun aanblik nu eigenlijk vergalt.