Verstrengeling van repetitie en pyschotherapie in "Labyrint'; Vergaarbak van trauma's

Voorstelling: Labyrint van Inez van Dullemen door De Appel. Regie: Erik Vos. Decor: Tom Schenk. Spel: Carol Linssen, Lou Landré, Sacha Bulthuis e.a. Gezien: 28/3, Appeltheater, Scheveningen. Nog te zien: aldaar t/m 2/5, daarna tournee

Labyrint heet het toneelstuk dat Inez van Dullemen schreef op basis van haar boek Het gevorkte beest. Het is een geromantiseerd verslag van de repetities die in 1980 aan een King Lear-enscenering in Düsseldorf vooraf gingen. De regisseur was haar man, Erik Vos, die nu ook Labyrint bij De Appel regisseert. Roman en stuk beschrijven hoe de oorlog in Shakespeares stuk al repeterend werd gekleurd door herinneringen van de acteurs aan hun eigen (oorlogs-)verleden. Als een goeroe en psychiater laat de fictieve regisseur Raymond in de roman zijn acteurs in hun "binnenste' afdalen om "van binnen naar buiten' te kunnen werken. Shakespeare wil hij niet horen; hij trekt een magische cirkel op de vloer waarbinnen het onderbewuste moet bovenkomen. Het toneelstuk is een min of meer getrouwe bewerking van de roman.

Raymond, gespeeld door Lou Landré, is een theaterdier. Zwarte Stetson op de ruige kop, morsig colbert, een zonnebril, every inch Fassbinder eigenlijk. Hij is een despoot, ternauwernood verlicht, die zijn spelers opzweept, een verhouding aangaat met een actrice, intimideert, inderdaad cirkels trekt en de onderste steen van het onderbewuste boven wil krijgen. Alles omwille van de intensiteit van het spel.

Wat hij oogst is niet het spel, maar de werkelijkheid. Dat komt ervan als je repetities verwart met psychotherapie. De pen van Inez van Dullemen zal het resultaat van Raymonds sessies bovendien nog gechargeerd hebben. De door haar geschetste werkelijkheid is divers, pijnlijk en schimmig - en bestaat wonderlijk genoeg grotendeels uit ethische vraagstukken. Geen heet hangijzer of één van de acteurs brandt zich eraan.

Raymonds repetitielokaal in het weidse Appeltheater ziet er rommelig en onttakeld uit. Links de schminkhoek, in het midden wat theaterstoelen en een enkele volgspot op statief, rechts de portier (Carol Linssen). Die staat voor het Düsseldorfse Duitsland. Hij slaat rabiate taal uit, heeft zo zijn beweegredenen en dut tussendoor regelmatig in. Met zijn hoofd onder een Bildzeitung. Deze man deugt niet.

In de toelichting bij de voorstelling laat Erik Vos meteen in de eerste zin weten dat de King Lear-voorstelling zijn "eerste regie in het na-oorlogse Duitsland' was. Wat hij met die rare mededeling precies bedoelt te zeggen, blijft onduidelijk, maar ik heb een vermoeden. Niet dat hij in het vooroorlogse Duitsland ook al regisseerde en misschien ook niet dat Duitsland wat hem betreft altijd "na-oorlogs' zal blijven. Hij wil zich verontschuldigen, het zinnetje is een bezwering van kwade gedachten over zijn ideologische gesteldheid.

Vos is de George Tabori van Scheveningen. Dat vindt hij waarschijnlijk een compliment, maar dat is het niet. Hij heeft een vergelijkbare, overtrokken preoccupatie met goed en kwaad en daarvan draagt Labyrint alle sporen. Omdat de regisseur en de schrijfster weet hebben van de ellende in de wereld en aan de goede kant staan is hun voorstelling een vergaarbak van oorlogstrauma's, van abortusperikelen, van geknoei met foetussen, van Aids, van nazisme in het algemeen en van foute vaders en portiers in het bijzonder en ook nog van zelfmoord ten gevolge van homoseksualiteit.

En daarom kijken we naar een reeks scènes die de titel eer bewijzen. Nu eens zijn ze "repetitie', dan weer "werkelijkheid', nu eens "Shakespeare', dan weer zomaar wat loslopende bespiegelingen - en liefst alles tegelijkertijd. Wie wie is en waarom en waartoe zijn vragen die onbeantwoord blijven. En daarom zijn alle vondsten van Vos - de muziekflarden, het gewapper met lappen en een dicht bij de aarde gehouden mise en scène - loze theatraliteit.

Lou Landré brult eens wat (en piept een toontje lager als uitkomt dat hij de zoon is van een Obersturmführer), Sacha Bulthuis, als de actrice Marianne en als Raymonds minnares, ligt geregeld op een kussentje in de ruimte sigaretjes te roken en poëtische dingen te zeggen (“Ik zou me willen ingraven, in warm zand”) en Mariannes dochtertje Viola mag haar liefde voor het theater belijden in een feeërieke jurk met daaroverheen een tuigje van grote schuimrubberen borsten. De homoseksuele zelfmoordenaar ligt levenloos en naakt in de theaterstoelen. En de portier slaapt onder zijn krantje. Gelijk heeft hij.