Uitbreiding van de EG fungeert als lakmoesproef

Uitbreiding van de EG betekent niet per definitie uitholling. Het is zelfs waarschijnlijk dat de EG eerst enige nieuwe lidstaten zal toelaten alvorens tot een ingrijpende verdragswijziging over te gaan, waardoor een verdere integratie (verdieping) tot stand kan komen

De inkt van het verdrag van Maastricht is nog nauwelijks droog. In Denemarken, Ierland en Duitsland is ratificatie nog allerminst zeker. In Brussel is de dans van de lidstaten om de vleespotten van de EG in volle gang. In de Uruguay-ronde en de steun aan de voormalige Sovjet-Unie moeten de EG nog moeilijke knopen worden doorhakken. En bovendien heeft men het in veel hoofdsteden druk met de binnenlandse politiek - in Italië en Frankrijk staat het staatsbestel ter discussie. In deze omstandigheden lijkt het niet bepaald opportuun een debat aan te gaan over uitbreiding van de Europese Gemeenschap.

En toch: de vraag naar de toekomst van de EG is zeer actueel. Vooral in het licht van de ratificatieperikelen. Zonder ratificatie van "Maastricht' zal de Gemeenschap bij verdere uitbreiding van het ledental verwateren. Het verdrag mag dan wel geen "Politieke Unie' opleveren - die benaming is bepaald misleidend en had beter kunnen worden vermeden -, maar het geeft wel degelijk een impuls aan zowel de economische als de politieke integratie.

Actueel is de vraag naar de uitbreiding nog in een tweede opzicht. Zweden, Oostenrijk en Finland zijn economisch rijp voor toetreding. De maatregelen die deze landen moeten treffen om zich bij de EG te kunnen voegen, zijn geïnventariseerd in de onderhandelingen van EG en EFTA over een Europese Economische Ruimte. De EG-lidstaten hebben geen economische argumenten om hen tot na 1994 buiten de deur te houden.

Dat ligt anders in het geval van de Midden- en Oosteuropese landen. Pas jaren na de eeuwwisseling zullen de meest ontwikkelde onder hen het volledig "acquis communautaire' kunnen aanvaarden. Toch is het mogelijk dat Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije al voor het jaar 2000 EG-lid zullen zijn. Toetreding zou wel eens de prijs kunnen blijken die de EG moet betalen voor behoud van de stabiliteit in dat deel van de wereld, alsmede ter beperking van migratiestromen naar West-Europa.

Dat de EG zich de komende jaren fors zal uitbreiden, staat voor mij vast. Die uitbreiding zou wel eens ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor het karakter van de Europese Gemeenschap. De lidstaten - de bestaande en de potentiële - staan voor moeilijke keuzen; keuzen die in Maastricht grotendeels zijn ontweken.

Sommige kwesties zullen ongetwijfeld nog jaren onopgelost blijven. Zoals de vraag of Turkije tot de EG kan worden toegelaten. Of Rusland. Waar houdt "Europa' op? Het antwoord dat die vraag niet aan de orde is, omdat Scandinavische en Middeneuropese landen als nieuwe lidstaten prioriteit zullen krijgen, is onvolledig. Wat is in de tussentijd ons beleid? Ten aanzien van Rusland bestaat het voornamelijk uit pappen en nathouden. Voor Turkije bestaat in de EG bepaald een blinde vlek. Een politieke dialoog tussen Brussel en Ankara ontbreekt en voor de meeste lidstaten geldt hetzelfde.

In het perspectief van de uitbreiding gelden meer van dit soort vragen als lakmoesproef. Die naar het buitenlands beleid van de EG bijvoorbeeld, of die naar de ene munt, of die naar de machtsverdeling.

Een EG met meer lidstaten draagt, of men dat nu leuk vindt of niet, een grotere verantwoordelijkheid in de wereld. Als handelspartner, of bij het aanpakken van mondiale milieuproblemen en - dus - armoedebestrijding in ontwikkelingslanden. En in veiligheidsvraagstukken, zoals het voorkomen van verspreiding van massavernietigingswapens. Dit heeft gevolgen voor het buitenlands beleid van de lidstaten. Nationale "Alleingänge' worden minder aantrekkelijk. Naarmate EG-optreden belangrijker wordt, zullen de lidstaten zich meer inspannen om hun stempel op dit gemeenschappelijk beleid te zetten.

Kan een EG met vijftien of meer lidstaten, met onderscheiden belangen, een buitenlands beleid tot stand brengen op basis van eenstemmigheid? Waarschijnlijk niet, tenzij landen vermijden een eenparig besluit te verhinderen wanneer er een gekwalificeerde meerderheid vóór dat besluit is. Dit is in Maastricht zo afgesproken.

Toetreding van "neutrale' landen tot de EG zal toepassing van deze regeling in veiligheidsvraagstukken er natuurlijk niet gemakkelijker op maken, al moet men dit argument niet overdrijven. Nu Oost en West niet meer bestaan, heeft ook neutraliteit niet veel meer om hakken. Niettemin zal het veiligheidsbeleid van de EG ook op langere termijn vooral moeten worden uitgevoerd met politieke en economische instrumenten.

Een buitenlands beleid dat, als het er op aankomst, militair geen kracht kan worden bijgezet, mist echter geloofwaardigheid. In dit licht zijn de Frans-Duitse besprekingen over een "Eurokorps' van belang. Deze gezamenlijke strijdmacht van 25.000 man, waaraan ook troepen uit andere Europese landen zouden kunnen deelnemen, wordt drie taken toegedacht. Verdediging van het NAVO-grondgebied, humanitaire bijstand, en optreden in het geval de NAVO als zodanig niet in actie komt terwijl er sprake is van een gevaar voor de Europese veiligheid. Het "Eurokorps' zou dus ook een NAVO-taak krijgen. Met deze aanpak wordt de militaire band tussen Frankrijk en de NAVO versterkt. Terzelfdertijd zou een stap worden gezet naar een Europees defensiebeleid zoals omschreven in Maastricht.

Over de gevolgen van uitbreiding van de EG voor de Economische en Monetaire Unie valt nog weinig met zekerheid te zeggen. Invoering van de muntunie zou tot 1999 kunnen worden vertraagd als de economische recessie aanhoudt of zich nog verdiept, of als Duitsland niet tijdig aan de convergentiemaatstaven kan voldoen. Bijvoorbeeld omdat Berlijn zich genoodzaakt ziet grote bedragen in de Poolse of Russische economie te pompen om vluchtelingenstromen of andere gevaren af te wenden, terwijl andere Westerse landen de hand op de knip houden.

Andere ontwikkelingen kunnen voltooiing van de EMU juist versnellen. Als EFTA-landen EG-lid worden, stijgt de kans dat de meerderheid van de lidstaten voor eind 1996 tot invoering van één munt kan overgaan. Bovendien zou het bedrijfsleven op de muntunie vooruit kunnen lopen: bijvoorbeeld door een groter gebruik van de ecu, zoals het vooruitliep op de totstandkoming van de interne markt. Dergelijke anticipatie vergemakkelijkt de politieke besluitvorming.

Zal toetreding van niet-EFTA-landen voltooiing van de EMU verhinderen? Waarschijnlijk niet; meer snelheden op weg naar de ene munt zijn in Maastricht immers uitdrukkelijk toegestaan.

Een derde vraag die zich opdringt, is hoe een EG van vijftien of meer landen nog te besturen valt. Moet bijvoorbeeld het roterend Raadsvoorzitterschap blijven bestaan, ook al kan een lidstaat het nog maar eens in de zeven of acht jaar vervullen en ook al betekent het dat de EG soms een half jaar wordt geleid door Cyprus, Malta of Slovenië? Of is het beter een permanente voorzitter aan te stellen, bijvoorbeeld de secretaris-generaal van de Raad van Ministers? Dan moet in die functie wel een gezaghebbend politicus worden benoemd, in plaats van de ambtenaar die de post nu bezet.

Hoe groter het aantal lidstaten, des te moeilijker de besluitvorming in de Raad, ook als die bij meerderheid van stemmen kan beslissen. Een herschikking van bevoegdheden tussen Raad en Commissie kan noodzakelijk worden. Men zou bijvoorbeeld kunnen afspreken dat sommige besluiten voortaan door de Commissie worden genomen, tenzij een gekwalificeerde meerderheid in de Raad zich daartegen uitspreekt.

Voorwaarde voor een dergelijke regeling is mijns inziens wel, dat het Europees Parlement sterkere wetgevende bevoegdheden krijgt; hetzij door een sterker recht van amendement, hetzij doordat Commissarissen uit de leden van het Europees Parlement worden geselecteerd, net zoals leden van de Britse regering lid van Lager- of Hogerhuis moeten zijn. Het zou de belangstelling voor Europese verkiezingen wel eens zeer ten goede kunnen komen.

Overigens kan het aantal leden van het Europees Parlement niet onbeperkt worden uitgebreid, wil men er geen Chinees Volkscongres van maken. Met de huidige 518 leden is het voor een multinationaal parlement als het EP al zeer moeilijk werken, niet in de laatste plaats door het vertaalprobleem. Om ruimte te maken voor afgevaardigden uit nieuwe EG-landen, zullen de bestaande lidstaten het met minder vertegenwoordigers moeten doen.

Over dat talenvraagstuk nog een opmerking. Elke EG-burger heeft het recht, wetgeving waaraan hij is gebonden te kunnen lezen in zijn landstaal. Aan dit recht mag in een democratie niet worden getornd. Een andere vraag is, of ambtenaren, diplomaten en leden van het Europees Parlement hun werk niet in twee werktalen zouden kunnen doen. Het antwoord is ja: Frans en Engels worden in de praktijk allang als werktaal gebruikt.

Maar zo eenvoudig is de politieke werkelijkheid niet. De Duitsers eisen, op steeds hogere toon, invoering van het Duits als werktaal. Als die eis om politieke redenen zou worden ingewilligd (en het Spaans dus volgt), is er nog geen man overboord. Men kan dan afspreken dat elk in de EG-instellingen de eigen taal mag gebruiken, doch dat alleen naar de vier werktalen zal worden vertaald en vertolkt.

"Uitbreiding is uitholling', luidde de uitdagende kop boven een recent artikel van Hans Nijenhuis op deze pagina. De EG, aldus Nijenhuis, zou zich moeten verdiepen vóór tot toetreding van nieuwe lidstaten kan worden overgegaan. Zo zal het niet gaan. Het is waarschijnlijk dat de EG eerst enige nieuwe lidstaten zal toelaten alvorens opnieuw tot een ingrijpende verdragswijziging over te gaan. Komt het daarbij tot verdieping, dus tot verdere integratie? Op onderdelen misschien. In elk geval verandert het karakter van de integratie. Is dat erg? Welnee. De EG is geen doel op zichzelf, maar een instrument om politieke problemen mee op te lossen. Als zodanig wordt de Europese Gemeenschap alleen maar belangrijker.