Tweederangs wetgeving

HET EUTHANASIEDEBAT heeft weinig opgeleverd om trots op te zijn. Natuurlijk geeft het voldoening dat een praktisch compromis is bereikt over een vraagstuk dat letterlijk van levensbelang is, maar dat in de politiek jarenlang slechts een kwalijke splijtzwam bleek te zijn.

Het resultaat draagt de sporen van deze geschiedenis. Het compromis kon er alleen maar komen met behulp van tweederangs wetgeving - een andere kwalificatie is niet denkbaar. Via een zeer gezochte constructie (de uitvoeringsregeling van de lijkbezorging) wordt een oplossing gepresenteerd voor een aangelegenheid die overduidelijk de harde kern van het Wetboek van strafrecht uitmaakt.

De rechtvaardiging van euthanasie wordt dan ook niet werkelijk verankerd in de wet maar overgelaten aan het wijs beleid van het Openbaar Ministerie (OM). Justitie belooft daarbij een verregaande vorm van zelfbinding. Maar het afzien van strafvervolging is in laatste instantie een kwestie van "opportuniteit', zoals de vakterm luidt. Gezien de moeizame politieke genesis kan het niet anders dan dat de regeling het niet-rechterlijke element in de rol van het OM accentueert, het deel waarvoor de minister van justitie politieke verantwoordelijkheid draagt. De regeling trekt met andere woorden een wissel op de welwillendheid van deze en volgende ministers van justitie. Het is maar dat men het weet.

TEKENEND VOOR het gebrek aan principieel gehalte van de euthanasieregeling is de uitbreiding tot de milde dood voor personen die niet hun wil kunnen bepalen, zoals comapatiënten. Deze categorie vormt een niet te veronachtzamen probleem. De uitdrukkelijke en welbewuste wens van de betrokkene geldt niet voor niets als normatieve waterscheiding, al was het alleen al wegens de verhoogde kans op eigenmachtig medisch handelen. Het onder dezelfde noemer brengen van gevraagde en ongevraagde dodingshulp klopt naar één van beide kanten niet. Òf de werkelijke euthanasie wordt bemoeilijkt door haar te bezwaren met het probleem van de comapatiënten, òf levensbeëindiging van wilsonbekwamen wordt vergemakkelijkt door haar uit de sfeer van moord in die van euthanasie te brengen.

Wat het bereikte compromis niet in de laatste plaats een bittere nasmaak geeft is dat er eigenlijk een parlementaire meerderheid mogelijk is voor een volwassen wettelijke regeling. Het blokkeren van deze koninklijke weg verhoogt de eerbied voor de wet niet.