TECUMSEH

Opperhoofd met een almanak A Sorrow in Our Heart. The Life of Tecumseh door Allan W. Eckert 862 blz., Bantam 1992, f 60,50 ISBN 0 553 08023 7

"Wasegoboah, als je kunt, blijf morgen dan dicht bij me wanneer we ten strijde trekken. Als je mij ziet vallen, vecht je dan een weg naar mijn lichaam en tik het met deze roede vier keer aan. Als je dat lukt, zal ik herrijzen en ons naar de overwinning leiden. Lukt het niet, dan is verder vechten zinloos en zal onze stam ophouden te bestaan.'' Het waren woorden van Tecumseh, het opperhoofd van de Amerikaanse Indianenstam der Shawnees, op 4 oktober 1813 gericht aan zijn broer. Het waren zijn laatste woorden. Op 5 oktober was Tecumseh dood. En daarmee ging niet alleen de hoop van de Shawnees een eigen staat te vestigen in rook op, maar geraakte de stam in een definitieve staat van ontbinding.

Dat de Indianen uiteindelijk vrij gemakkelijk door de Franse, Engelse en Amerikaanse kolonisten werden verdreven, kwam zowel door hun onderlinge verdeeldheid als door de interne organisatie van de stammen zelf. Er was dan wel sprake van leiderschap, maar vaak was het opperhoofd niet meer dan een erfelijke primus inter parus die bij beraadslagingen even besluiteloos uit de pijp meerookte als de anderen. Hierdoor was het voor de blanken eenvoudig de stammen tegen elkaar uit te spelen, hen door middel van handel aan zich te binden, om hen uiteindelijk tot de verkoop van land te dwingen dan wel gewapenderhand te onderwerpen.

Op basis van Indiaanse overleveringen toont Allan W. Eckert in A Sorrow in Our Heart op sublieme wijze aan hoe "naïef' de roodhuiden tegenover de eerste blanke kolonisten stonden door hen aanvankelijk geenszins als bedreiging te beschouwen. Meters archief met optekeningen in Shawnee-taal vat Eckert in zijn boek samen. Daarbij vulde hij ontbrekende zinnen in conversaties tussen de Indianen naar eigen inzicht aan, maar hoewel er soms sprake is van een aantal nogal kinderlijk aandoende passages, beargumenteert hij zijn aanvullingen in een uitgebreid notenapparaat. Uit de door Eckert geselecteerde bronnen spreekt de Indiaanse perceptie van de kolonisten. De boodschap van dit boek is duidelijk: bij de komst van de blanken was de Indianenbeschaving van de Shawnees gedoemd te verdwijnen.

Er was nauwelijks een stam die zo verdeeld was en zo vaak verhuisde als de Shawnees. Na veel omzwervingen leken zij zich rond 1730 definitief in het huidige Ohio gevestigd te hebben. Illustratief voor de blanke visie op de roodhuiden werden de Shawnees in de "western literature' als een zeer krijgshaftig volk getypeerd. Dit imago werd alleen maar versterkt omdat zij als eerste Indianenstam serieus tegen de Westerse expansie optraden in het gebied van de westelijke frontier. Dat de Shawnees aanvankelijk geen echte vuist tegen de Shemanese - blanke indringers - konden maken, was toe te schrijven aan de passiviteit van de andere Indianenstammen.

De Engelse en Amerikaanse koloni-sering dwong de Shawnees meer en meer naar het zuiden en westen en dreef hen in gebieden van andere stammen. De hieruit voortkomende conflicten noopten de wanhopige Shawnees zich eerst bij de Fransen in hun (verloren) oorlog tegen de Engelsen, en vervolgens bij de Britten in hun (verloren) gevecht tegen de naar onafhankelijkheid strevende Amerikanen aan te sluiten.

Niet bekend

Tecumseh vertegenwoordigde duidelijk een generatie wier lot samenhing met de acute bedreiging van de Indiaanse samenleving. Als kind al hoorde hij zijn vader bezorgd over de toekomst van zijn stam vertellen en venijnig naar de Shemanese verwijzen. In tegenstelling tot andere Indianenkinderen had Tecumseh snel een reputatie als krijgsman opgebouwd. Naar Shawnee-traditie was het de gewoonte dat jongens pas op volwassen leeftijd (12 jaar) de krijgers mochten vergezellen in de strijd tegen andere stammen of blanke nederzettingen. Voor de zoon van het opperhoofd werd één keer een uitzondering gemaakt, en daarover is binnen het Shawnee-kamp nog lang gesproken. Toen bij een aanval op een vijandige stam een pijl de arm van zijn broer doorboorde, schrok de jonge Tecumseh zo geweldig dat hij direct de wijk nam. Zijn medekrijgers hebben een dag naar hem moeten zoeken en onder het scalperen van de doden grapten zij dat ""langs snellende panter'' zijn naam volledig had waargemaakt.

Tecumsehs jeugd werd volledig beheerst door de eerste contacten met de blanke kolonisten. Door de handel met de Fransen en Engelsen raakte menig Indiaan verslaafd aan sterke drank. Terwijl de oudere krijgers zich vaak met alcohol volgoten wanneer zij ten strijde trokken, imiteerden de jonge Indianen hen wanneer zij een jachtwedstrijd op laag overvliegende meeuwen organiseerden. Bij dergelijke wedstrijden raakte menig jongeling een oog kwijt omdat deze in aangeschoten toestand te laat reageerde op de neervallende pijlen. Uit getuigenissen van de Shawnees blijkt dat Tecumseh vooral opviel vanwege zijn jagers- en spionagekwaliteiten. In dit verband werd dan verwezen naar een dag in 1782 toen hij met zijn neef Sinnanatha over de vlakte reed en zachte trillingen van een naderende kudde buffels waarnam. Direct verscholen zij zich achter de enige boom die de prairie rijk was en terwijl Sinnanatha zijn geweer laadde, stalde Tecumseh zijn vierentwintig pijlen op de grond uit. Toen het stof van de voorbij razende kudde opgetrokken was, had Sinnanatha één buffel geschoten en zag hij tot zijn verbazing dat Tecumseh nog zeven pijlen over had en zeventien dieren getroffen had.

Uit A Sorrow of our Heart blijkt overduidelijk dat de krijgshaftigheid van de Shawnees deels toegeschreven moet worden aan pogingen van blanken hun optreden tegen de Indianen te legitimeren. De door Eckert geselecteerde "Indianenteksten' tonen aan dat de Shawnees aanvankelijk alles in het werk stelden om met de kolonisten tot een vergelijk te komen. Opperhoofden klopten in de zeventiende en achttiende eeuw regelmatig beleefd aan bij de Engelsen en later Amerikanen met de mededeling dat de kolonisten hen in hun jachtgronden aantastten en hiermee de Indianen van hun eerste levensbehoeften beroofden. Het ijzige antwoord luidde dan dat de indianen hun jagerscultuur door landbouwcultuur moesten vervangen.

Het is uiteindelijk niet verwonderlijk dat juist Tecumseh stelling tegen de kolonisten nam en de Shawnees opriep tegen hen de wapens op te nemen. Zelfs bij zij stamgenoten stond hij namelijk bekend vanwege zijn eigenzinnigheid. Zo negeerde hij de Shawnee-wetten toen hij zijn vrouw naar haar ouders terugzond, omdat zij niet in staat bleek hun geestelijk gehandicapte kind te accepteren en verbaasde hij iedereen toen hij krachtig optrad tegen de praktijk van mishandeling van gevangenen.

Tecumsehs kritiek op de verwestelijking van de Indianen, zijn afkeer van het martelen en zijn ageren tegen de handel van de Shawnees met de kolonisten maakten hem tot een buitenbeentje. Keer op keer bekritiseerde hij zijn broeders voor de verkoop van hun land aan de blanken en benadrukte hij dat het land aan alle Indianen toe behoorde en niet het eigendom van één stam in het bijzonder was.

Bij zijn eigen volk kon Tecumseh op weinig steun rekenen. Tevergeefs wees hij de Shawnees erop dat zij alleen stonden in hun strijd tegen de blanken. De andere stammen, zoals de Cherokezen, de Creeks, Chickasaws, stonden onverschillig tegenover de desintegrerende Shawnee-samenleving. In hun ogen vormde die slechts een buffer tegen een verdere invasie van de kolonisten in het noordwesten.

Uiteindelijk deed de overeenkomst van een bevriende Indianenstam met de gouverneur van Ohio waarin wederom een stuk land verhandeld werd, hem besluiten zich los te maken van de Shawnees. Met enkele getrouwen vestigde hij zich in 1805 in Greenville, Ohio. De ascetische levenswijze die hij zijn volgelingen opdrong, de nadruk op de traditionele gewoonten zoals jagen met pijl en boog, de uitbanning van drank, en het verbod op metalen werktuigen, leidden ertoe dat steeds meer door de blanke invasie gekwelde Indianen zich bij Tecumseh aansloten. Hij mikte op de unificering van vijftig stammen: ""Uit het Noordoosten zullen de Iroquois en hun neven de Tuscawaras komen en uit ons eigen gebied komen de Wyandots, Miamis en Potawatomies. Uit het Westen en het Zuiden moet het niet moeilijk zijn de Sioux, Cheyennes en Comanches over te halen.''

Maar het was vooral de quasi-religieuze uitstraling van de Tecumseh-groep die de nieuwsgierigheid van de andere Indianen wekte. Al snel deed het verhaal de ronde dat ""langs snellende panter'' onaantastbare krachten bezat en bepaalde natuurverschijnselen precies kon voorspellen. De werkelijkheid was dat hij bij een aanval op een blanke nederzetting een almanak had buitgemaakt waardoor hij zon- en maanverduisteringen kon voorspellen. Gebruikmakend van zijn religieuze façade bezocht Tecumseh gedurende de jaren tussen 1805 en 1812 andere Indianenenstammen om hen met zijn politieke theorie van ""gemeenschappelijk grondbezit'' te bewerken. Natuurlijk kwam het hem goed van pas dat dankzij de almanak zijn boodschappers de andere stammen precies konden informeren bij welke natuurverschijnselen hij zijn opwachting zou maken. Aankondigingen als ""bij donkere ijs maan (halve maan in januari) komt de grote leider zijn kinderen bezoeken'', waren eerder regel dan uitzondering.

Dat Tecumseh veel indruk maakte, blijkt alleen al uit het gegeven dat het hem lukte een stammenconfederatie te organiseren die het principe van het land als gemeenschapseigendom bekrachtigde. Bovendien werden de sociale en religieuze hervormingen die hij op locaal niveau had ingevoerd door de meeste stammen overgenomen. Zijn leiderschap baarde de gouverneur Harrison behoorlijke zorgen en op 7 augustus 1811 noteerde hij: ""De gehoorzaamheid en het respect dat de volgelingen van Tecumseh aan hem toonden is werkelijk verbazingwekkend en indrukwekkend. Deze man moet inderdaad in staat zijn een ware revolutie van alle Indianen tegen het blanke ras te ontketenen en een groot Rijk te stichten.''

Om de Amerikanen uit Ohio te verdrijven, hoopte Tecumseh op de hulp van het Engelse leger. Volgens de Indiaanse bronnen die Eckert aanhaalt, hadden de Engelsen inderdaad die toezegging gedaan. Toch wilde Tecumseh niet te afhankelijk van de kolonisten zijn, en hij besloot met de aanval op de Amerikanen te wachten. ""Tot het moment ik alle stammen achter mij heb om eendrachtig op te kunnen trekken,'' betoogde hij.

Misschien heeft Tecumseh wel te lang gewacht. Toen hij op weg was naar het zuiden om weer een stam te bezoeken, raakte zijn broer, Tenskwatawa, in een gevecht met de Amerikanen verwikkeld waarbij een groot deel van Tecumsehs krijgslieden om het leven kwam. Nu bleek dat zijn groep niet onschendbaar was, wankelde bij de andere stammen het geloof in een machtige confederatie der Indianen tegen de blanken. Dat dwong Tecumseh in 1812 met zijn volgelingen in dienst te gaan bij het Britse leger. Zijn hoop was dat als de Amerikanen eenmaal uit Ohio waren verdrijven, de Shawnees het heroverde land zouden kunnen terugwinnen.

Spoedig bleek dat de Engelsen alleen maar in de oorlog met de Amerikanen geïnteresseerd waren en het niet zo nauw namen met de zaak van de Indianen. Toen Tecumseh bij de belegering van Detroit op het sein van de Engelse legerleiding wachtte om verder op te kunnen trekken, blies die plotseling uit strategische overwegingen de aftocht. Hierop nam hij het fatale besluit met zijn krijgers alleen tegen de Amerikanen op te trekken.

Tecumseh vond de dood in de "Battle of the Thames' in 1813. Zijn broer Wasegoboah kon hem niet meer bereiken om het lichaam vier keer met de roede aan te tikken. Hem restte slechts de herinnering aan een dodelijk getroffen Tecumseh met naast hem een Amerikaanse soldaat die gilde: ""I've killed one damned yaller Indian booger.'' De soldaat realiseerde zich niet dat hij hiermee een definitief einde had gemaakt aan de gewapende weerstand tegen de blanken in het Noordwesten van Amerika.