SYNAGOGES AAN DE WILDE KUST

Jews in Another Environment. Surinam in the Second Half of the Eighteenth Century door Robert Cohen 361 blz., E. J. Brill 1991, f 150,- ISBN 90 04 09373 7

De vroege Nederlandse expansie in de Nieuwe Wereld is onlosmakelijk verbonden aan de inbreng van sefardische joden. Suriname, Curaçao en St. Eustatius groeiden in de achttiende eeuw uit tot de belangrijkste joodse centra in het Amerikaanse continent. Toen Suriname in 1667 van Britse in Nederlandse handen overging, woonde daar al een kleine joodse gemeenschap. Het viel niet mee "eigen' mensen naar de onveilige "Wilde Kust' te lokken.

Aan joodse kolonisten werd daarom een vrijheid geboden die hen in Europa vrijwel overal werd ontzegd. Die privileges werden door de Nederlanders bevestigd. In de volgende anderhalve eeuw was niet alleen hun godsdienstvrijheid gegarandeerd, maar tevens een hoge mate van zelfbestuur in eigen kring. "Kring' kan letterlijk worden verstaan: het centrum van de joodse gemeenschap was niet Paramaribo, maar de Jodensavanne, een nederzetting landinwaarts aan de Surinamerivier.

De diaspora in de Nieuwe Wereld onderscheidde zich in een belangrijk opzicht van die in Europa. In de Caraïben, en vooral in Suriname, grepen de joodse kolonisten de kans zich in de plantagelandbouw te storten. Zo werden velen van hen landbouwers, een beroep waartoe zij in Europa niet of nauwelijks toegang hadden.

De joodse gemeenschap vormde dan ook het enige segment van de kleine blanke bevolking dat zich als blijvende bewoners beschouwde. En dat veranderde niet toen in het laatste kwart van de achttiende eeuw Suriname in een economische crisis belandde. Mede als gevolg hiervan raakten de Jodensavanne en de joodse plantersklasse in verval en verschoof hun oriëntatie naar de commerciële sector. Urbanisatie was een logisch gevolg. Massaal vertrekken deden de joden echter geenszins. Tussen 1787 en 1830 bedroeg de omvang van hun gemeenschap zo'n 1300 zielen; dat was een derde van de totale blanke bevolking in 1787, twee derde in 1811 en nog steeds de helft in 1830.

Robert Cohen, een historicus aan de Universiteit van Haïfa, schreef over de geschiedenis van de Surinaamse joden in de cruciale tweede helft van de achttiende eeuw de interessante studie Jews in Another Environment. Het beeld dat oprijst uit het boek is er een van discontinuïteit. Oorspronkelijk uit Oost-Europa afkomstige, Asjkenazische joden maakten een steeds groter deel uit van de joodse gemeenschap. De sefardim voelden zich in het defensief gedrukt. Het verlies van de oorspronkelijk homogeniteit riep religieuze twistpunten aen vooral bestuurlijke competentiekwesties op. De economische crisis leidde behalve tot urbanisering tot een dramatische inkomensdaling, en die trof de sefardim. Tegelijk creëerde de verstedelijking overigens de voorwaarden voor een kortstondige culturele bloeiperiode.

Ondertussen waren de natuurlijke omstandigheden op de Wilde Kust, een echte "frontier-zone', uitgesproken vijandig; tot ver in de negentiende eeuw kon alleen immigratie het chronische sterfteoverschot compenseren. De harde praktijk van het kolonistenbestaan blijkt uit de voorbeelden in dit boek. Neem Isaac de Joseph Pinto de Fonseca. In 1765 geboren trouwde hij op zijn 25ste met Rahel de Isaac de Meza; hun eerste kind werd twee maanden later geboren, op de Jodensavanne. Acht jaar waren Isaac en Rahel gehuwd. In die tijd kregen zij zes kinderen, maar toen Rahel bij de geboorte van haar zesde stierf, waren de andere vijf al overleden. Inmiddels was Isaac hertrouwd; de drie kinderen uit dit tweede huwelijk stierven allen in hun jeugd. Toen Isaac zelf op zijn 57ste overleed, had hij twee vrouwen en negen kinderen begraven.

STRAATARM

Cohen schrijft met verstand van zaken en met merkbare empathie; zijn boek is een plezier om te lezen. Toch roept Jews in another environment de nodige vragen op. Zo geeft Cohen een interessante verklaring waarom relatief veel joden, ondanks de crisis, naar Suriname bleven vertrekken. Hij schat het aantal joden in Amsterdam, de belangrijkste plaats van herkomst, op 15.000 in 1750 en bijna 23.000 tegen het einde van de eeuw, 10% van de Amsterdamse bevolking. Het merendeel van de joodse Amsterdammers was straatarm en moest door de eigen gemeenschap worden ondersteund. Vanuit de joodse elite gingen stemmen op om de toevloed van arme buitenlandse joden in te dammen, en tegelijk de emigratie te stimuleren. Suriname leek een geschikte "dumping ground', hoewel de tot dan toe succesvolle joodse gemeenschap aldaar ongelukkig was met dit plan. Doorrekenend op Cohens cijfers voor de periode 1771-1795 kom ik echter niet verder dan een immigratiesurplus van 6 per jaar, op een totale joodse bevolking van zo'n 1300.

Een van de aardigste hoofdstukken geeft een beeld van het culturele klimaat in Paramaribo. In de laatste decennia van de achttiende eeuw echter drong de Verlichting ook tot Suriname door. Er werden gezelschappen gevormd waar de nieuwste literatuur uit Europa werd besproken. Men ging zich verdiepen in de wetenschappen, vooral in die takken waarvan men directe resultaten verwachtte, zoals medicijnen en agronomie. Er werden boeken en pamfletten geschreven. Zelfs werden plannen gemaakt om in Suriname een universiteit te stichten.

Een centrale rol speelde de sefardische jood David Nassy. Cohens reconstructie van het boekenbezit van Nassy met de gelijktijdige "top-100' van de Franse intellectuele elite wijst uit dat deze eenzame intellectueel ruim een derde daarvan in bezit had, en van de top-20 zelfs het overgrote deel. De inventaris geeft een uniek beeld van een man die in het voorwoord van de Geschiedenis der kolonie Suriname door een gezelschap van geleerde Joodsche mannen aldaar (1791; oorspronkelijk in het Frans verschenen als Essai historique, 1788) klaagde dat ""de opvoeding (hier) ontbloot is van 't geene men noodig heeft om middelmatige verstanden te oeffenen, en te ontwikkelen''. Trieste bijkomstigheid: de inventaris van zijn boekenbezit werd opgemaakt in 1782, toen Nassy als planter failliet ging en zijn boeken in beslag werden genomen.

Cohen zet het contrast tussen het "intellectual wasteland' vóór de jaren 1770 en de "bloei' van de volgende decennia overigens wel erg sterk aan. De ""intellectual awakening'' kan uiteindelijk op niet meer dan drie intellectuelen worden teruggevoerd; ook dat geeft te denken over het belang ervan. Belangrijker is wellicht dat de betekenis van de "Surinaamse Verlichting' niet nader wordt uitgewerkt. Interessant in deze is immers dat Suriname een maatschappij was die volstrekt werd gedomineerd door slavernij, een van de filosofische strijdpunten die door de Verlichting op de agenda van het Westerse denken waren geplaatst.

Het is niet zo vreemd dat de Surinaamse "Verlichters', evenals slavenhouders elders, dit aspect liever negeerden. Het is wel opvallend dat Cohen de rol van slavernij in het joodse leven omzeilt. Dat is, lijkt mij, moeilijk te verdedigen; al was het maar omdat hij nu niet is ingegaan op het - waarschijnlijk door antisemitisme ingegeven - stereotype van de joodse slavenhouder als extreem harde meester. Het was nota bene David Nassy zelf die zijn geloofsgenoten in de Geschiedenis van deze blaam wilde zuiveren; ter ondersteuning van zijn apologie voerde hij een leider van de marrons op die de joden hoogachtte, want ""zy zyn niet gelyk de andere Blanken, die wy gezien hebben: zy beminnen God, en nooit zullen zy iets doen, dan na hem alvorens gebeden en eerbiediglyk vereerd te hebben''.