OVER HET LIBERALISME MAAR DAN ZONDER THORBECKE

Wacht op onze daden. Het liberalisme en de vernieuwing van de Nederlandse staat door Siep Stuurman 444 blz., Bert Bakker 1992, f 69,50 ISBN 90 351 1123 0

"Wacht op onze daden'' was Thorbeckes antwoord op de vraag naar zijn regeringsprogramma toen hij in 1849 zijn eerste kabinet aan de Tweede Kamer voorstelde. Het wekt dan ook geen verbazing de grote man op het omslag te zien afgebeeld van het zojuist verschenen werk van de Amsterdamse hoogleraar politicologie Siep Stuurman over de vernieuwing van de Nederlandse staat in de vorige eeuw. Wie dit boek dus ter hand neemt, weet waarop hij hopen mag: een geschiedenis van het Nederlandse liberalisme met Thorbecke in de hoofdrol. Aangezien na Van der Mandeles verdienstelijke maar uiteraard nu op sommige punten achterhaalde studie uit 1933 (Het liberalisme in Nederland. Schets van de ontwikkeling in de negentiende eeuw) niemand het thema in zijn volle breedte meer heeft beschreven, spannen omslag en titel de verwachting van de lezer in hoge mate.

De lezer echter heeft zich vergist; of liever, hij wordt misleid. Het boek bevat geen geschiedenis van het liberalisme en Thorbecke krijgt nauwelijks aandacht. In feite is dit een bundel met negen losse opstellen die voor een deel over verwante onderwerpen gaan. Een paar ervan werden een maand of wat geleden trouwens al eens in tijdschrift of congresverslag uitgegeven. Daar is niets op tegen. Maar de suggestie dat dit een geheel nieuw en doorgecomponeerd boek is, had vermeden moeten worden. Zij is bedriegelijk, en dat irriteert.

Geen geschiedenis van het Nederlandse liberalisme dus. Wat dan wel? Laten we om te beginnen vaststellen dat de eerste 170 bladzijden (inleiding plus vier "hoofdstukken') anders van aard zijn dan de tweehonderd met vijf "hoofdstukken' plus een conclusie die volgen. De laatste bevatten pertinente en deels vernieuwende studies, de eerste vrij algemene beschouwingen en samenvattingen van andermans werk.

Er is een kras verschil tussen beide groepen. Voor de eerste kan men overigens zeker sympathie voelen. De lezer neemt plaats in een comfortabel bootje en laat zich door een vriendelijke roeier over het kabbelende water van een groot meer varen. Opwindend is de tocht niet, maar op de oever is allerlei aardigs te zien en de excursie is goed voor de geestelijke gezondheid. In de eerste twee "hoofdstukken' becommentarieert Stuurman diverse opvattingen over de aard van de Nederlandse geschiedenis en hij concludeert, ten eerste, dat zij zo kalm en continu niet was als bepaalde historici beweren, en ten tweede, dat de Patriottentijd een diepe breuk vormde.

MEDITATIES

In de loop van zijn beschouwingen - zij hebben betrekking op de Opstand en de Republiek - maakt hij zonder twijfel verstandige opmerkingen maar meer dan meditaties over onderwerpen die hij slechts uit onsystematisch gekozen literatuur en niet uit eigen analyse van de bronnen kent, vindt men hier toch niet.

Het derde "hoofdstuk' is wat sub-stantiëler. Het bevat informatie over Dirk Donker Curtius die zich als liberaal tegen het regime van Koning Willem I verzette en al enige jaren voor Thorbecke zover was, pleitte voor de invoering van een of andere vorm (welke eigenlijk?) van ministeriële verantwoordelijkheid en directe verkiezingen voor de Tweede Kamer. Diep boort Stuurman niet. Hij beschrijft het leven van Donker Curtius slechts ten dele, doet geen poging de ideeën van de man systematisch te behandelen (wat gezien diens impulsieve aard misschien ook niet goed mogelijk is), vergelijkt zijn politieke opties niet met die van zijn Belgische geestverwanten uit de jaren twintig en maakt evenmin duidelijk waarom Donker ten slotte van geavanceerd tot conservatief liberaal evolueerde.

In dit stuk, op bladzijde 133, constateert Stuurman dat Donkers generatiegenoot Thorbecke in de jaren 1840 de leiding van de liberale groep in handen nam en decenniën lang vasthield. Hij verklaart dat uit diens intellectuele superioriteit en werkkracht. In het volgende "hoofdstuk' beschrijft hij de gebeurtenissen van 1848 en de totstandkoming van de nieuwe grondwet. Natuurlijk vinden we hier informatie over Thorbeckes activiteit in die periode, maar daarbij blijft het. Wij lezen niets over Thorbeckes ontwikkeling tot liberaal, niets over zijn organische staatsopvatting, niets over zijn van Donkers levensbeschouwing sterk verschillende visie, niets over zijn standpunt ten aanzien van de Franse Revolutie en de revolutionaire theorie.

Met andere woorden, dit boek sluit Thorbecke vrijwel uit. Waarom eigenlijk? Meende Stuurman dat er al voldoende over hem bekend is en andere liberalen nu eens voor het voetlicht gehaald moeten worden? Hij zegt dit niet maar een term die hij soms gebruikt - namelijk: de ""Thorbecke-mythe'' - suggereert inderdaad dat deze zijns inziens in onze interpretatie van het Nederlandse liberalisme te centraal is komen te staan. Het blijft echter gissen, en dat is jammer, want de afwezigheid van Thorbecke in een op de geschetste manier gepresenteerd boek verdient toch bepaald enige explicatie.

OMISSIE

Misschien heeft Stuurman Thorbecke trouwens ook te weinig bestudeerd. In de bibliografie ontbreken gezaghebbende uitgaven en studies over hem. De omissie verzwakt het betoog. Hoe kan men de links-liberale oppositie tegen Thorbeckes erfenis, waarover Stuurman in zijn laatste studies schrijft, goed plaatsen wanneer men de eigenaardige opvattingen van de oude voorman niet kent? Wat nu dit vierde "hoofdstuk' in zijn geheel betreft, het is in hoofdzaak een samenvatting van - onder andere uit J. C. Boogmans meesterlijke Rondom 1848 (1978) - door en door bekende stof.

Vanaf "hoofdstuk' vijf - het werd al gezegd - behandelt Stuurman een onderwerp dat hij zelfstandiger heeft bestudeerd en waarover hij boeiender informatie en inzichten verschaft: het links-liberalisme en het sociaal-liberalisme uit de laatste dertig jaar van de negentiende eeuw. In vijf losse, elkaar soms overlappende studies beweegt de auteur zich met energie door de uiterst ingewikkelde wereld van deze liberale schrijvers en politici. Hij slaagt erin de hoofdlijnen van hun soms tegenstrijdige en onaffe ideeën in treffende formules aan te duiden.

Wij vinden hier de artikelen over Sam van Houten die Stuurman van 1988 tot 1990 in verschillende periodieken publiceerde bijeen en dat is heel handig. Ook andere, deels als congresbijdragen opgezette en onlangs reeds gedrukte studies over onderwerpen die met het thema in een zeker verband staan, treft men hier opnieuw aan zodat we de auteur op zijn speurtocht naar de essentie van het na-Thorbeckiaanse liberalisme gemakkelijk kunnen volgen.

Het is een moeilijke tocht. G. Taal leverde in zijn standaardwerk van 1980, Liberalen en Radicalen in Nederland, 1872-1901, een enorme documentatie over het onderwerp maar hij was minder geïnteresseerd in het politiek-theoretische kader dat nu juist Stuurmans belangstelling heeft. Hij vermeed bovendien het comparatistische aspect waaraan Stuurman in studies met vergelijkingen tussen Nederland en vooral Engeland veel aandacht wijdt. Dank zij zijn innovatieve benadering van de problemen heeft Stuurman ons inzicht in de opvattingen van grootheden als Van Houten, N. G. Pierson, Treub, Goeman Borgesius, Cort van der Linden en anderen verhelderd en daarvoor verdient hij onze erkentelijkheid.