Nederland krijgt "verstevigde voordeur'; Actievoerders noemen nieuw opvangcentrum al "grensgevangenis'

AMSTERDAM, 4 APRIL. Het is geen toeval, het schilderij Fata Morgana, dat achter de directeurszetel van Rudolf Hofstee aan de wand prijkt. Een lange ladder met drie onbereikbaar hoge treden staat tegen een blinde muur, uit een heel klein openstaand deurtje in die muur valt het verlangend-witte licht van de vrijheid, rechts leidt een trap naar het niets: de symboliek ligt voor het oprapen.

Toeval is het zeker niet, beaamt Hofstee, hij vond het schilderij een treffende verzinnebeelding van zijn nieuwe baan. Hofstee is directeur van het nieuwe Grenshospitium voor asielzoekers, dat maandag door staatssecretaris A. Kosto (justitie) onder boegeroep van actievoerders wordt geopend. Een initiatiefgroep, bestaande uit het Platform voor illegale vluchtelingen en het Autonoom info / axie Centrum, zal luidruchtig acte de présence geven. De dranghekken staan al klaar.

De "grensgevangenis' wordt het hospitium aan de Tafelbergweg in de Bijlmermeer door de actievoerders genoemd en de gelijkenis met de naaste buren, de Lloyd's strafinrichting voor jongeren is dan ook frappant. Het "penitentiair hekwerk' is gewoon doorgetrokken. Het hospitium is een rechthoekig betonnen gebouw van twee verdiepingen met smalle raampjes, omgeven door twee hoge omheiningen met prikkeldraad en een sluissysteem met drie beveiligingen om langs de portier te komen. Is een asielzoeker eenmaal binnen, dan verlaat hij in 98 procent van de gevallen het hospitium nog slechts richting Schiphol, met een enkele reis naar zijn thuisland op zak.

Het Grenshospitium is bedoeld voor de "kansloze asielzoekers', de mensen van wie de vreemdelingendienst op grond van een "nader gehoor' meteen vaststelt dat hun verhaal en hun papieren hen niet in aanmerking doen komen voor toegang tot Nederland. Zij kunnen in beroep gaan tegen die beslissing en een kort geding aanspannen. Dat duurt ongeveer zes weken. Om te voorkomen dat ze in die zes weken de benen nemen, werden ze sinds 1986 onder vrij primitieve omstandigheden op Schiphol-Oost vastgehouden, in vijf kamers met ieder acht slaapplaatsen, een recreatieruimte en een "lucht'-balkon. Niet alleen was de behuizing daar beroerd, veel asielzoekers wisten het asielzoekerscentrum op Schiphol-Oost te ontvluchten. Zo liepen in februari veertien ingesloten asielzoekers weg, van wie de helft in de buurt van Schiphol weer werd opgepakt.

In 1988 bepaalde de Hoge Raad dat de vrijheidsberoving op Schiphol-Oost niet in overeenstemming was met artikel 7 van de Vreemdelingenwet, hoewel zij tegelijkertijd tot de conclusie kwam dat tegenhouden aan de grens toelaatbaar is. Het gevolg: de wet werd aangepast en men besloot tot de bouw van het Grenshospitium.

Het aantal asielzoekers dat via Schiphol ons land binnenkomt, is, dankzij stringentere controle bij de slurf van het vliegtuig, het afgelopen jaar drastisch gedaald, zo zegt het ministerie van justitie. In 1990 vroegen 7.600 mensen op Schiphol asiel aan, in 1991 nog maar 3.600. In 1990 werden 361 mensen, voornamelijk uit Ghana en Nigeria, op Schiphol-Oost vastgezet, in 1991 324. Op dit moment zitten op Schiphol-Oost nog maar een handvol mensen vast, in afwachting van hun uitwijzing.

Aan vluchten lijkt met de bouw van het Grenshospitium, dat 14 miljoen gulden heeft gekost, een einde gekomen. “Het hospitium”, zegt Reinder Zetsma, juridisch medewerker van de Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland, “is een gevangenis, waar mensen worden opgesloten, wier enige misdaad is dat ze asiel hebben aangevraagd.” Directeur Hofstee, zelf afkomstig uit het gevangeniswezen, is het met die benaming niet eens. Hij spreekt liever van de "verstevigde voordeur' van Nederland, die voor bepaalde mensen gesloten blijft. Het hospitium biedt hen die die voordeur niet doormogen "fatsoenlijk onderdak en een zinvolle tijdsbesteding'. Honderdtwintig mensen kan het hospitium herbergen, maar men begint volgende week met een eerste capaciteit van dertig man. Eind mei kan dit contingent worden uitgebreid tot zestig man.

De bewoners komen op tweepersoonskamers te wonen, maar ze mogen ook alleen. Stapelbed, tafel, stoel, toilet en wasbak. Overdag krijgen ze een sleutel van hun kamer. Ze mogen hun afdeling af, ze mogen koken in de pantry, waarvoor ze in het winkeltje levensmiddelen kunnen kopen, ze kunnen de was doen, pingpongen, naar de bibliotheek, naar de sportzaal en de kinderkamer, naar een computercursus of naar Engelse les. Ze mogen de binnenplaats op, waar een voetbalveld van kunstgras klaarligt. Ze mogen naar de gebedsruimte of praten met de pastor, de sociaal werker of de advocaat. Ze mogen niet vrijelijk andere afdelingen op, dit om redenen van privacy en om te voorkomen dat er wrijvingen tussen mensen met verschillende achtergrond ontstaan. Maar van tien uur 's avonds tot zeven uur 's ochtends gaat ieders kamerdeur op slot. Uit personeelsgebrek, zegt Hofstee, want 's nachts zijn er maar drie personeelsleden om de boel in de gaten te houden.

Hofstee erkent het morele dilemma: je sluit mensen op en slooft je uit om net te doen of er niets aan de hand is. Je geeft ze een cursus in de zekerheid dat ze over zes weken het land zullen moeten verlaten. Verschillende sollicitanten hebben op grond daarvan een baan in het hospitium geweigerd: “Onze toekomstige bewoners hebben niets misdreven. Integendeel, het is vaak juist de bloem der natie. Goed opgeleide, actieve, vitale mensen, die iets van hun leven willen maken en daarvoor grote risico's hebben gelopen, zich in de schulden hebben gestoken en thuis verwachtingen hebben gewekt. Onze weigering komt heel hard aan, het wordt als een afgang gezien. Dat zal van tijd tot tijd tot ernstige spanningen leiden. Er zal weleens iemand psychotisch of agressief worden. We zullen dat zo goed mogelijk proberen op te vangen.”

Hoewel het personeel in uniform rondloopt - Hofstee noemt dat "eerlijker' tegenover de bewoners, “ze moeten weten aan welke kant we staan” - heeft het niet het recht om disciplinair te straffen. Het gaat immers niet om criminelen. “Maatschappelijk gezien is hier veel minder consensus over dan over het gevangeniswezen, waarvan iedereen de noodzaak inziet. Het tuchtaspect van de bajes bestaat hier niet en dat maakt het voor het personeel knap lastig. Wij zijn ons ervan bewust dat het moet gebeuren, maar we voelen dondersgoed dat we de mensen iets aandoen wat niet aangenaam is.” Als iemand door de spanning onhandelbaar wordt of een gevaar voor zijn omgeving, mag Hofstee hem korte tijd opsluiten in een van de isoleercellen, waar nog druk aan getimmerd wordt.

Het Grenshospitium bestaat dankzij artikel 7a van de Vreemdelingenwet, dat het mogelijk maakt mensen in afwachting van uitwijzing op te sluiten. De Vereniging Vluchtelingenwerk Nederland heeft dat artikel aangevochten bij het Europees Hof. “Volgens artikel 5 van het Europese verdrag van de rechten van de mens is detentie van asielzoekers alleen toegestaan als er gevaar dreigt voor de openbare orde en veiligheid”, aldus Zetsma van de VVN. “Bovendien moeten er zeer stringente regels voor zijn. Hoe de vreemdelingendienst bepaalt of iemand "kansloos' is, is natte-vingerwerk.” Dat verscherpte toezichtsmaatregelen geboden zijn, ontkent Zetsma niet, maar de VVN denkt dan eerder aan identiteitscontroles. De VVN verwerpt ook artikel 18a van de vreemdelingenwet, dat gisteren door de Tweede kamer is aangenomen. Volgens dat artikel moeten tien opvangcentra voor asielzoekers in den lande omgeven worden door een groot hek met een portier en zal een meldingsplicht worden ingesteld voor de bewoners. Een aantal gemeenten heeft zich tegen dit plan gekeerd, omdat ze van de opvangcentra geen gevangenis willen maken.

Terwijl in het Grenshospitium nog volop wordt gehamerd en geschaafd, het personeel nog wat onwennig met de sleutelbossen rammelt en de portier het knoppenpaneel bij de toegangssluis in de vingers probeert te krijgen, zegt Hofstee dat veel nog onduidelijk is. Ervaring is er niet in Nederland, en voor zover hij weet ook niet in het buitenland. “Wat het effect van het gebouw zal zijn, of het de toestroom zal benvloeden, voor wat voor onverwachte verrassingen we zullen komen te staan moet de toekomst leren. Publicitair, politiek en psychologisch weten we niet wat ons boven het hoofd hangt.” De toekomstige bewoners weten dat wel. Buiten het dubbele hekwerk lonkt de golfbaan.

De Lega Nord, de protestpartij die van het noorden een aparte deelrepubliek wil maken, om de eigen belastingen te kunnen spenderen en een grotere afstand te hebben van de mafia, van corruptie en inefficiëntie, vindt hier wel aanhangers, maar niet veel. De scherpe kantjes van het protest ontbreken in Parma, misschien omdat het een landbouwstad is. Boeren hebben minder last van het begrotingstekort dan de industrie.