Jelle Nijdam verkeert in de greep van de twijfel; "Een echte sprinter gaat binnendoor als er gekwakt wordt'; "Gelukkig word ik niet betaald voor mijn sprint'

DE PANNE, 4 APRIL. Hotel Regina Maris in De Panne, afgelopen woensdagavond. In het café van de herberg bestelt een groep dikke Belgen nog een pint, want het gaat goed met Club Brugge tegen Werder Bremen. Wielrenner Jelle Nijdam kijkt niet naar het televisievoetbal, hij zit alleen aan een tafeltje. “Wat kijk je somber”, hoort hij van Harrie Jansen, de passerende pr-man van sponsor Buckler. Nijdam lacht zijn tanden bloot, maar het gaat niet van harte. De 28-jarige prof voelt zich niet echt lekker. Want het loopt dit seizoen lang niet zo goed als hij had gehoopt.

In de vorige competitie was de oogst al tamelijk mager. Nijdam moest zich tevreden stellen met de eindzege in de Driedaagse van De Panne en een ritwinst in de Ronde van Frankrijk. De renner uit Zundert was het hele jaar op zoek naar de sprintkracht die zich in 1989 plotseling bij hem openbaarde. Toen was hij superieur in een Tour-etappe, in Parijs-Brussel en in Parijs-Tours. “Ik heb nog dezelfde snelheid”, zegt Nijdam, maar het klinkt niet overtuigend.

Hij is in de greep van de twijfels, want even later laat hij zich ontvallen dat hij “de pure snelheid mist. Misschien dat ik het toch niet echt kan. In elk geval ben ik geen rasspurter. Geeft iemand een kwak, dan ga ik terug en buitenom, door de wind. Fout. Een echte sprinter gaat binnendoor als er gekwakt wordt. Kan ook zijn dat ik bang ben om te vallen”.

In de Ronde van de Middellandse Zee ging het in februari met Nijdam drie keer net mis op de laatste meters. Hij werd tweemaal tweede, een keer derde. “Telkens had ik moeten winnen. Of ik koos de verkeerde kant van de weg, of ik werd ingesloten. Vreselijk. Het zelfvertrouwen is een groot probleem. Dat is al een paar jaar zoek. Ik kan net als Van Poppel, Gullit en Yvonne van Gennip naar Ted Troost stappen. Maar ik geloof er niet in dat die iemand beter kan laten sprinten door hem in zijn billen te knijpen. Stress is trouwens iets wat erbij hoort. Een wielrenner moet juist stress hebben. Relaxed achter in het peloton rijden, daar schiet je niks mee op.”

Enkele jaren geleden zei ploegleider Jan Raas dat hij zijn evenbeeld zag in Nijdam. Dat de blonde krachtpatser een uitstekend koersinzicht had, dat hij sterke prologen kon rijden, dat hij als de finish in zicht kwam succesrijke demarrages in de benen had en dat hij op de laatste meters niet hoefde onder te doen voor de snelheidsmaniakken. Raas toen: “Nijdam kan mijn erelijst benaderen.”

Maar de Brabantse coureur is er achter gekomen dat dat verre van eenvoudig is. Hij denkt dat de huidige omstandigheden moeilijker zijn dan in de periode-Raas. Hij wijst op het aantal coureurs. “Raas had in grote wedstrijden een dikke honderd tegenstanders, ik kom er bijna tweehonderd tegen. En Raas maakte deel uit van Raleigh, een supersterk collectief dat in de Tour en de klassiekers domineerde. Die tijd is voorbij, het is onmogelijk dat één ploeg de wedstrijd naar zijn hand zet.”

Nijdam meent dat hij ook met méér gespecialiseerde concurrenten te maken heeft dan Raas. “Die vond meestal alleen De Vlaeminck op zijn weg. In de sprint is het aantal tegenstrevers nu veel groter. Denk maar aan De Wilde, Ludwig, Van Poppel, Capiot, Cipollini, de rapste van het hele spul. En daar zijn ook nog eens Abdoesjaparov en Museeuw bijgekomen. En weet je wat zo opvallend is? Dat die renners onderweg niet kapot zijn te krijgen. Ten minste niet in koersen korter dan tweehonderd kilometer, zoals de E3-Prijs en de Brabantse Pijl. Ze zijn aan het einde nog zo fit als wat. Ik hoop dat dat in de echte klassiekers, de Ronde van Vlaanderen van zondag bijvoorbeeld, niet het geval is. Dan heb ik misschien weer kansen.”

Heeft hij het gevoel de grote vorm als “afmaker” te missen dan stelt Nijdam zich in de slotfase ten dienste van zijn ploeggenoten Vanderaerden of Veenstra. Het liefst werkt hij voor de laatste, “want bij Vanderaerden weet je het nooit. Hij laat het nog al eens afweten. Veenstra is sneller - na de Tour, als hij genoeg kilometers in de benen heeft, kan hij zich zelfs met Cipollini meten - maar sommige wedstrijden zijn nog te lang voor hem”. Uiteraard is Nijdam liever zèlf kopman. Zijn wil om te winnen is nog altijd “fantastisch groot”.

In zijn jacht op het succes wil hij nu een oud wapen hanteren, de solovlucht in de finale. In de Omloop Het Volk liet hij zien dat hij als tijdrijder nog steeds een kanjer is: Met een soort tijgersprong overbrugde hij de kloof tussen het peloton en het weggesprongen koppel De Wilde-Museeuw.

“Gelukkig word ik niet betaald voor mijn sprint”, legt Nijdam uit. Hij voelt zich bij Buckler de wegkapitein. Hij inspireert de knechten, wijst het altijd zwijgzame talent Van Hooydonck de weg en ook de slimme Maassen luistert graag naar zijn raad. Nijdam zegt zich wel eens “enorm te ergeren aan bepaalde lieden in het peloton. Aan jongens van de patatgeneratie, om met Beenhakker te spreken. Verwende ventjes á la Bryan Roy. Wat laten ze nu allemaal zien? Geldwolfjes, altijd op zoek naar een hoger salaris bij een nieuwe baas, zoals die Duitser Gölz. Als ze de koers verliezen zeggen ze: 't Is toch een goede training geweest. Die zijn slecht met hun vak bezig”.

Dat laatste heeft Nijdam ook wel eens over zichzelf gehoord. Hij moet erom lachen. “Vorig jaar schreven ze dat ik in de greep was van computerspelletjes. Tot diep in de nacht zou ik ermee bezig zijn. Een paar weken weken was dat zo, toen was de rage over. Het ding ligt nu op zolder.”

Nijdam houdt er nu andere hobbies op na. Hij zegt gek te zijn van oude auto's, “Als ik die zelf kon onderhouden, kocht ik er een paar. Maar ik ben daar niet handig in. Als ik niet fiets ben ik bezig met coke-automaten, met het verzamelen en opknappen van oude uithangborden of met het luisteren naar muziek uit de jukebox in onze woonkamer. Had ik een groter huis, dan stonden er tien van die dingen. Heerlijk luisteren naar keiharde rock and rollmuziek uit de jaren vijftig, dat is pas ontspanning.”

Nijdam vindt die rust ook door te vissen. “Op snoeken, in de poldersloten. Mijn vader (Henk, oud-Tourrenner en achtervolger, red.) gaat wel eens mee. We praten dan veel, ook over wielrennen. Dan komt ie met zijn kritiek. Zegt ie dat ik nog te gemakkelijk ben, of dat ie me verkeerde dingen heeft zien doen. Een voorbeeldje? Na de Grote Prijs Eddy Merckx waarin ik in 1990 een seconde te kort kwam voor de overwinning, zei hij: “Waarom hield je je benen tien meter voor de streep stil?” Nijdam zucht. “Dat kostte me toch een hele mooie zege”, zegt hij somber.