HOLLAND IN WORDING

Steden en Staten. Dagvaarten van steden en Staten van Holland onder Maria van Bourgondië en het eerste regentschap van Maximiliaan van Oostenrijk (1477-1494) door H. Kokken 339 blz., Stichting Hollandse historische reeks 1991 (Hollandse historische reeks XVI), f 65,- ISBN 90 72627 06 7

Holland in wording. De ontstaansgeschiedenis van het graafschap Holland tot het begin van de vijftiende eeuw redactie D. E. H. de Boer e.a. 174 blz., Verloren 1991, f 35,- ISBN 90 6550 237 8

In 1477 sneuvelde Karel de Stoute op het slagveld van Nancy. Deze gebeurtenis luidde in de Nederlanden een roerige periode in, die wel bekend staat als de "crisis van de Bourgondische staat'. Nadat de onverbiddelijke hertog jarenlang elk teken van zelfstandigheid de kop had ingedrukt, zagen de onderdanen eindelijk hun kans schoon. De erfgenamen van hertog Karel, zijn negentienjarige dochter Maria, was gedwongen aan de eisen van de gewesten, vertegenwoordigd in de Staten-Generaal, verregaand tegemoet te komen. Zij kondigde het beroemde "groot-privilege' af.

Het optreden van de Staten in deze periode is, niet onbegrijpelijk, door Nederlandse historici wel als een soort voorafschaduwing gezien van hun optreden honderd jaar later, bij de totstandkoming van de Nederlandse Republiek. Dat is sterk overdreven. Zodra de ergste crisis voorbij was, hadden de onderdanen niets meer in te brengen en kon de landsheer de gedane concessies zonder noemenswaardige tegenstand ongedaan maken.

In Steden en Staten doet H. Kokken een uiterst nauwgezet verslag van het functioneren van de Staten van Holland in deze periode, tot de troonsbestijging van Filips de Schone in 1494. De bronnen voor de geschiedenis van de Staten van Holland voor 1544 worden op dit moment door het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis verzameld en uitgegeven. Kokken is zelf bij dit project werkzaam geweest en is uitstekend thuis in zijn materiaal. Het boek bevat een overvloed aan details, tot de namen van de herbergen waar de gedeputeerden overnachtten toe. Niettemin blijven er lacunes in de overgeleverde bronnen. Bepaalde wezenlijke vragen, zoals over de rol van de ridderschap, moeten daardoor onbeantwoord blijven.

De periode die Kokken beschrijft, was er een van grote activiteit voor de Staten, vooral vanwege de vrijwel permanente oorlogssituatie (door onder andere de Utrechtse en Gelderse oorlogen, de Jonker-Fransenoorlog, en de strijd ter zee tegen Frankrijk). De Staten moesten de militaire operatie financieren en logistiek ondersteunen, en het is opvallend dat de landsheer hen daarbij in ruime mate de vrije hand liet. In deze periode ontstond ook het later zo belangrijk geworden ambt van landsadvocaat. Van een zelfstandige statenmacht was niettemin geen sprake. Terecht blijft Kokken hierop hameren, maar als conclusie is dit weinig opzienbarend. Het is de vraag of deze benadering van het probleem wel zo verhelderend is.

Een andere boek dat vorig jaar verscheen over de middeleeuwse geschiedenis van Holland is Holland in wording. Het gaat om een bundeling van voordrachten die werden gehouden op het vijfde Muiderberg-symposium. Acht mediaevisten bespelen het rijke scala aan mogelijkheden dat hun vak biedt. Centraal staan steeds de Hollandse graven. De Staten worden nauwelijks genoemd. Dat is niet zo vreemd, want hoewel al in de veertiende eeuw stedelijke vertegenwoordigers incidenteel bij het landsbestuur betrokken werden, voerden pas de Bourgondiërs in Holland formele Statenvergaderingen in.

Een thema dat in de bundel meer uitdrukkelijk aan de orde komt, is de ontstaansgeschiedenis van Holland. Dit betekent ook: de ontwikkeling van een los samenraapsel van rechten en territoria, die enkel samengingen omdat zij alle berustten in de hand van één en dezelfde graaf, naar een afgerond gewest met een eigen identiteit. Zeker, in de periode die Kokken in zijn boek behandelt, was van dat laatste meer sprake dan in, bijvoorbeeld de dertiende eeuw. Toch was ook in de vijftiende eeuw eenheid nog ver te zoeken. Het is veelzeggend dat met de crisis in 1477 ook de Hoekse en Kabeljauwse twisten weer oplaaiden.

In hoeverre is het gezamenlijke, zij het zeker niet altijd eendrachtige, optreden van de Staten als vertegenwoordigers van het "gemene land' een factor geweest bij de groei van een duidelijke identiteit? Het staat vast dat het Hollandse grootprivilege van 1477 later een belangrijke ideologische rol heeft vervuld. Het idee van een zelfstandige politieke eenheid te creëren is op zich al heel wat. Maar dit soort vragen vereist een ander soort onderzoek, waarvoor Kokken in elk geval een belangrijk fundament heeft gelegd.