HET WREDE VERGETEN VAN DE HEIMAT

Heimat wider Willen. Emigranten in New York door Elfi Hartenstein 350 blz., geïll., Verlags Gemeinschaft Berg 1991, f 94,45 ISBN 3 921 655 74 9

”Praktisch iedereen die tot 1933 dat vertegenwoordigde wat men wereldwijd de Duitse cultuur noemde, is thans een vluchteling'', schreef de Amerikaanse publiciste Dorothy Thompson eind jaren dertig. Ze overdreef. Niet de gehele culturele elite vertrok uit Duitsland, na het aantreden van Hitler als rijkskanselier in 1933. Desondanks is Thompsons constatering begrijpelijk, zeker in het licht van de ideologische en intellectuele polarisatie in de jaren dertig. Het vertrek van de Duitse intellectuelen en kunstenaars maakte een einde aan de culturele bloei in de Republiek van Weimar en was tegelijkertijd een krachtige bijdrage aan de internationalisering van het Westerse intellectuele leven.

De geschiedenis van het Duitse exil is inmiddels goed gedocumenteerd. Niet in de laatste plaats door de emigranten zelf. Meer dan een halve eeuw na dato verschijnen er nog altijd nieuwe memoires van dit voor een belangrijk deel uiterst geletterde gezelschap. Vorig jaar nog verscheen het prachtige boek van de in 1988 overleden uitgever Fritz Landshoff over de emigrantenpers Querido Verlag, Amsterdam, Keizersgracht 333. In het kielzog van zulke herinneringen volgden talrijke wetenschappelijke studies over de Duitse ballingen. Hun politieke activiteiten, de asielpraktijken van de gastlanden, de exil-literatuur, de invloed op cultuur en wetenschap in de Verenigde Staten, al deze aspecten zijn uitvoerig belicht. Wie thans een boek over de Duitse vluchtelingen schrijft, dient, kortom, een origineel perspectief te kiezen.

Dat heeft de germaniste en historica Elfi Hartenstein gedaan. In Heimat wider Willen bundelde zij de interviews die zij in het voorjaar van 1991 hield met zesentwintig emigranten uit Duitsland en Oostenrijk die sinds de jaren dertig in New York wonen. Vooral twee aspecten maken haar boek interessant. Ten eerste heeft zij uitdrukkelijk niet willen schrijven over beroemde emigranten als Bertolt Brecht, Hannah Arendt, Thomas en Heinrich Mann, Albert Einstein of Ludwig Marcuse. Hartenstein koos haar gesprekspartners uit ””het voetvolk van de emigratie'', zoals een van hen het uitdrukt.

Ten tweede is de uitvoerig beschreven ontstaansgeschiedenis van het boek belangwekkend. Daarin weer-spiegelt zich het grillige verloop van de reputatie die het Duitse exil na de Tweede Wereldoorlog in de Bondsrepubliek genoot. Lange tijd is die bijzonder slecht geweest. Met uitzondering van de korte periode tussen de ondergang van het Derde Rijk en de oprichting van de Bondsrepubliek in 1949 zijn de emigranten tot zeker halverwege de jaren zestig in de Westduitse opinie ronduit vijandig bejegend. Op zijn best werden ze genegeerd, maar eigenlijk werden ze als een bedreiging ervaren. Onvermijdelijk herinnerend aan het verkeerde verleden, verstoorden zij de grote en ”geschichtslose' politieke consensus in de Bondsrepubliek.

De linkse reputatie van het exil werkte in deze Koude-Oorlogsjaren evenmin in het voordeel van de ballingen. Anders dan de joodse emigratie (ofschoon daar voor een deel mee samenvallend) waren de politieke ballingen inderdaad in overgrote meerderheid sociaal-democraat, socialist of communist geweest. In de Bondsrepubliek bouwde men in de jaren vijftig schaamteloos voort op het karikaturale beeld uit de Hitler-periode, van een subversief, bolsjewistisch exil. De omstandigheid dat de DDR een deel van de anti-fascistische ballingen voor zich wist te winnen (zoals Brecht), leek dit Westduitse beeld te bevestigen. Daarnaast werd de emigranten ronduit landverraad verweten. Vanwege hun vertrek, maar ook vanwege het feit dat menige vluchteling in geallieerde dienst - als tolk, bij de inlichtingendienst, of als gewoon soldaat - tegen Duitsland had gestreden.

PATROONHEILIGE

De generatie die in de jaren zestig de barricaden beklom, Hartensteins generatie, oordeelde vanzelfsprekend positiever over de anti-fascistische emigratie. De emigrant Ludwig Marcuse werd ongeveer de patroonheilige van de rebellen. Hartenstein benadrukt dat de generatierevolte meer om het lijf had dan lang haar en spijkergoed. In West-Duitsland was ze zeker ook een opstand tegen de zelfingenomen ontkenning van het verleden.

In de jaren zestig ontdekte Hartenstein dat Duitsland tot 1933, behalve de inmiddels obligate Frankfurter Schule, een omvangrijke en zeer diverse ”Alternative' had gekend. Haar opstandige generatie was in feite allesbehalve origineel. Dit inzicht deed bij haar plannen voor een boek over de verdreven en doodgezwegen emigranten ontstaan. Hoewel ze die plannen al sinds ongeveer 1972 koestert, resulteerden ze pas vorig jaar in een reeks interviews. Gezien de leeftijd van haar gesprekspartners - de twee oudsten zijn geboren in 1898, de jongste in 1934, het gros tussen 1900 en 1914 - had zij haar voornemen niet veel langer moeten uitstellen.

Heimat wider Willen is een geslaagde exercitie in ”oral history' geworden. Hartenstein hanteerde geen standaard-vragenlijst. Het ging haar om de individuele levensverhalen. Vanzelfsprekend stonden de gemeenschappelijke ervaringen centraal: de vlucht uit Centraal-Europa, de integratie in de Amerikaanse samenleving en de verstoorde relatie met het land van herkomst.

Zoals gezegd wonen alle geïnterviewden in New York. En dat is niet toevallig: van de naar schatting 140.000 Duitse en Oostenrijkse emigranten die tussen 1933 en 1945 in de Verenigde Staten arriveerden, bleven er ongeveer 80.000 in New York. Een kwart van hen vestigde zich in Washington Heights, het meest noordelijke deel van Manhattan. Vanaf 1939 werd deze wijk in kringen van emigranten het ”Vierte Reich' genoemd. Er ontstond een geheel aparte Duits-joodse exil-cultuur, met eigen cafés, eigen theatervoorstellingen en eigen tijdschriften waarvan er één, Aufbau, nog altijd bestaat.

Hartenstein interviewde onbekende emigranten. Van de 26 namen zijn er slechts twee bekend: die van Alexandra Adler, de dochter van de fameuze psychoanalyticus Alfred Adler, en die van Maria Piscator, weduwe van Erwin Piscator, in de jaren twintig directeur van de roemruchte Berlijnse Volksbühne en de Piscatorbühne.

De gesprekken geven aan dat het niet eenvoudig is generaliserende uitspraken te doen over het Duits-Oostenrijkse exil. Vooral de individuele beoordelingen van de lotgevallen lopen uiteen. Desondanks valt een aantal algemene zaken op. Om te beginnen is er een opmerkelijk verschil in de rol van mannen en vrouwen. Bij de moeizame pogingen in de Verenigde Staten een nieuw bestaan op te bouwen, namen de vrouwen het voortouw. Doorgaans hadden zij eerder het Engels onder de knie dan de mannen en zij vonden sneller een betrekking. Werk dat bovendien beter betaald werd dan de ongeschoolde arbeid die de mannen vaak enige tijd verrichtten.

De emigratie betekende voor de vrouwen, opgegroeid in de patriarchale verhoudingen van de Centraaleuropese burgerij, een razendsnelle emancipatie, waarbij paradoxaal genoeg juist de zorg voor het huishouden en de kinderen de verwerving van het Engels en praktische kennis over het nieuwe land, en daarmee de grotere zelfstandigheid, bespoedigde.

Ook met betrekking tot het oordeel over de voormalige landgenoten bestaat er een verschil tussen mannen en vrouwen. Waar de vrouwen over het algemeen genuanceerd spreken over het naoorlogse Oostenrijk en Duitsland, overweegt bij de mannen de weerzin en het wantrouwen. De laatsten lijken de plotselinge ”Ausbürgerung' nog altijd niet te kunnen verkroppen. Hier geeft de leeftijd op het moment van het gedwongen vertrek niet de doorslag.

Opmerkelijk in Heimat wider Willen is ook het onderscheid tussen de vluchtelingen uit Duitsland en die uit Oostenrijk. De Duitse emigranten, zeker het joodse deel, hebben in meerderheid radicaal gebroken met het land van herkomst. De wens na 1945 terug te keren, ontbrak vrijwel geheel. Voor hen werd de emigratie definitief een ”journey of no return'. De officiële schadeloosstelling door de Bondsrepubliek in de jaren vijftig kon daar niets aan veranderen.

Bij de Oostenrijkers ligt die verhouding gecompliceerder. Voor menigeen is Oostenrijk toch nog altijd de ”Heimat'. Zeker bij de oud-Weners was de wens terug te keren sterk. Wat hen ervan weerhield, was de huichelachtige houding van de Oostenrijkers, een houding die sterk tot uitdrukking kwam in de na de oorlog van allerwege in Oostenrijk gecultiveerde mythe het eerste slachtoffer van nazi-Duitsland te zijn geweest. Sinds de ”Verklaring van Moskou' uit 1943 was dat nota bene ook het standpunt van de geallieerden. De Oostenrijkse bijdrage aan het antisemitisme, de oorlog en de nazi-terreur werd ontkend. Van Oostenrijk kwam geen ”Wiedergutmachung' maar slechts een litanie van zelfbeklag.

””I don't trust them. I don't know what it is,'' vertelt een van de gevluchte Oostenrijkers over zijn voormalige landgenoten, ””Vielleicht ist es prejudice. Vorurteil. Aber in Wien ist immer alles scheinbar so gemütlich, so voller Schmeichelei, und dahinter steckt sehr viel Unehrlichkeit.'' Een van zijn lotgenoten meent ronduit dat de Oostenrijkers nog altijd fascisten zijn. Voor hen is er sinds de jaren dertig niets veranderd. Zulke gevoelens werpen een even pijnlijk als bevreemdend licht op het feit dat menige Oostenrijkse balling sinds de jaren zeventig uit handen van de Oostenrijkse staat een onderscheiding kreeg opgespeld - en deze dus ook accepteerde - voor de geleverde bijdrage aan ”de bevrijding van Oostenrijk'.

En daarmee komt ook naar voren wat al de emigranten, de Oostenrijkers en de Duitsers, zonder uitzondering als de meest bittere ervaring aanwijzen: niet de verdrijving in de jaren dertig noch het door hen bijna allemaal genoemde antisemitisme en racisme in de Verenigde Staten, maar het verzuim van Oostenrijk en de Bondsrepubliek na de oorlog een officieel appèl aan het exil te richten om terug te keren naar de Heimat en te helpen bij de wederopbouw van de Duitse cultuur.

In een aantal gesprekken wordt Hartenstein fijntjes te kennen gegeven dat ook haar aandacht nu te laat komt. Want, zo vraagt een van de ondervraagden zich af, wie in het herenigde en met een nieuw nationaal zelfbewustzijn uitgeruste Duitsland zou haar boek over een aantal oude emigranten eigenlijk willen lezen?