Het verschil tussen norm en praktijk van de euthanasie

DEN HAAG, 4 APRIL. In totaal dertien keer heeft minister Hirsch Ballin van justitie tijdens het debat over de euthanasieregeling Rdeze week herhaald dat een "meldingsprocedure' zeker geen "goedkeuringsprocedure' inhoudt. Met die formule trachtte hij een onheil af te zweren dat het kabinet zelf heeft opgeroepen.

De regering wil de medische praktijk van levensbeëindigend handelen controleerbaar maken met een procedure waarmee artsen aan de hand van 28 zorgvuldigheidsvereisten euthanasie of hulp bij zelfdoding moeten melden. Wanneer de arts zich aan de regels houdt, en het openbaar ministerie besluit dat hij gegeven de omstandigheden geen andere keuze had dan aan het verzoek van de patiënt te voldoen, heeft hij een redelijke garantie dat hij niet vervolgd zal worden. Want onderdeel van het kabinetsplan is dat euthanasie en hulp bij zelfdoding gewoon in het Wetboek van Strafrecht blijven.

Toen vorig jaar uit het onderzoek van de commissie Remmelink bleek dat in Nederland op ruime schaal (circa duizend gevallen per jaar) levensbeëindiging plaatsheeft door artsen zonder uitdrukkelijk verzoek van de patiënt, bepaalde het kabinet dat ook onvrijwillige levensbeëindiging onder de meldingsprocedure moest vallen. Maar bij die laatste categorie is geen sprake van uitgebreide jurisprudentie op basis waarvan duidelijkheid kan bestaan over de vraag of de arts die dit meldt vrijuit gaat. Dus kondigt Hirsch Ballin aan dat in geval van levensbeëindiging niet op verzoek vervolging ingesteld zal worden.

Alle oppositiepartijen maakten bezwaar tegen de onduidelijkheid die hiervan het gevolg is. Bij euthanasie is medewerking aan de meldingsprocedure voorwaarde voor straffeloos handelen, maar de arts die zonder verzoek het leven beëindigt van een terminale patiënt, loopt een grote kans voor de rechter te moeten verschijnen. Het Kamerlid Kohnstamm (D66) zei het zo: “Twee principieel, juridisch, ethisch verschillende onderwerpen worden in die ene meldingsregeling gepropt en vervolgens springen ze er in het vervolgingsbeleid weer als een tweekoppig monster uit.” Deze consequent door Hirsch Ballin als “misverstand” aangeduide onduidelijkheid in de regeling, trachtte hij dus recht te zetten door herhaling van het standpunt dat de meldingsprocedure zelf geen garanties biedt: “Het gaat er niet om dat er gemeld wordt, maar wat er gemeld wordt”, aldus de minister.

Kohnstamm vroeg de regering niettemin om voordat het definitieve wetsvoorstel aan de Kamer wordt voorgelegd een duidelijk onderscheid aan te brengen tussen levensbeëindiging met en zonder verzoek en daarvoor twee aparte meldingsprocedures te maken. Het pragmatisme dat zo kenmerkend is voor het compromis dat CDA en PvdA hebben gesloten over de euthanasieregeling (door Kohnstamm aangeduid als: de norm is voor het CDA, de praktijk voor de PvdA) kleurde het karakter van het debat deze week. De nadruk lag sterk op de technische uitwerking van de regeling.

Daarmee week de toon sterk af van de laatste gelegenheid waarbij de Kamer plenair sprak over euthanasie. In april 1989 debatteerde het parlement tegelijkertijd over de euthanasiewet van het vorige kabinet en een inititatiefwetsvoorstel van D66 waarin strafbaarstelling van artsen onder voorwaarden wordt opgeheven. Het accent lag toen veel meer op de ethische en levensbeschouwelijke achtergronden van vragen rond leven en dood. Zelfbeschikkingsrecht, humanisering van het sterven, de positie van de patiënt, de arts, de verpleegkundige, de apotheker, geen thema bleef onbesproken. Tot een definitieve besluitvorming kwam het toen niet, omdat het kabinet ten val kwam.

Opvallend is hoe de wisselende coalitiepartners van het CDA van kleur verschieten wanneer zij achter de regeringstafel belanden. Dezelfde zorgvuldigheidseisen waar Pvda-woordvoerster Swildens zich nu sterk voor maakt, leverden volgens haar partijgenote Haas-Berger destijds vanuit de oppositiebankjes alleen maar “schijnzekerheid”. En terwijl VVD-woordvoerder Dees zich deze week verzette tegen het systematische gebruik in de voorgestelde regeling van het overmachts-artikel uit het Wetboek van Strafrecht, stond zijn handtekening als staatssecretaris in 1989 onder het wetsvoorstel waarin hetzelfde artikel strafuitsluiting voor artsen garandeerde.

Op een vraag van Kohnstamm erkende Swildens deze week ronduit “aan het schuiven te zijn” omdat zij “overtuigd is geraakt van andere argumenten”. Maar wat vooral telt voor de PvdA is dat het materiële doel bereikt wordt: “Als het erom gaat onder bepaalde voorwaarden in concreto de strafbaarheid van de verdachte op te heffen dan bereik je dat met het voorstel zoals het er nu ligt,” aldus Swildens.

Tijdens het debat bleek dat Hirsch Ballin en Simons volstrekt spiegelbeeldige bedoelingen met de beoogde meldingsprocedure. De minister van justitie hamerde voortdurend op het “onbillijke” van levensbeëindiging niet op verzoek, en op de noodzaak om die gevallen strafrechtelijk te vervolgen, terwijl Simons verklaarde de “billijkheid” van die medische beslissingen te begrijpen.Hirsch Ballin wil door onderbrenging in een regeling van beide vormen van levensbeëindiging ook de strafbaarstelling van euthanasie behouden. Terwijl Simons op termijn legalisering van beide vormen van levensbeëinging lijkt te beogen. Niet voor niets zei hij: “Wij zijn op zoek naar nieuwe afwegingen, naar nieuwe normstellingen rond het levenseinde, die verder reiken.”

Kohnstamm herinnerde Swildens eraan dat haar partijgenoot Haas-Berger tijdens het debat in 1989 tot twee keer toe steun toezegde aan het initiatiefwetsontwerp van D66. Hij stelde vast dat Swildens die steun nog niet had ingetrokken. “Dat behoeft op zichzelf ook niet het geval te zijn. U behoeft dat ook niet te zeggen.” Dat deed Swildens ook niet en en daarmee laat de pvda expliciet de mogelijkheid open in de toekomst eventueel alsnog voor het wetsvoorstel van D66 te kiezen.”