Feiten of verhalen

De leeftijd waarop vrouwen kinderen krijgen, stijgt. Al vallen de 40+-moeders weg in het brede statistisch gemiddelde, toch is er onmiskenbaar een trend naar het op latere leeftijd kinderen krijgen.

Is dat reden tot zorg? En zo ja, voor wie? Is het slecht voor de moeders of voor de kinderen? En in welk opzicht: kan het moederlichaam het niet goed meer bolwerken of is het in psychisch opzicht een moeizamer of risicovoller onderneming? In elk geval waren dit genoeg zorgelijke vragen om mensen uit drie verschillende vakgebieden uit te nodigen om hier een verhaal over te houden. En zo bogen een kinderarts, een psycholoog en een socioloog (dat was ik) zich over deze kwestie. Ze kwamen alledrie, als verwacht, met een ander verhaal, want hadden de vraag op een andere manier uitgewerkt.

Ik vond het zelf eigenlijk wel leuke verhalen. Niet dat er nu een duidelijk en panklaar antwoord uit kwam. Voor zover er problemen waren, had dat niet met leeftijd op zich zelf te maken maar met factoren die met leeftijd samenhangen. Zoals de verhoogde druk met het stijgen der jaren om bij uitblijvende zwangerschap een IVF behandeling te ondergaan. Dit geeft een verhoogde kans op meerlingen en daarmee op vroegtijdige geboorte van de baby's, met alle risico's vandien. Oudere moeders doen het niet slechter. Ze hebben misschien wel wat hoge verwachtingen van hun laat en vaak met kunst- en vliegwerk verkregen kinderen, die ze soms wel erg bewust en behoedzaam opvoeden. Ze zijn wat moeier dan toen ze jong waren en kunnen niet zo veel meer hebben. Ze zijn ook langer gewend aan een door werk geordend leven, wat een totaal andere instelling vereist dan de permanente chaos en onvoorspelbaarheid die kleine kinderen met zich meebrengen. Geen speciale probleemgroep, kortom, maar wel met een aantal ingebouwde risicofactoren.

Ik had het vooral over de maatschappelijke achtergronden van dit "uitstel-gedrag' zoals het quasi-neutraal genoemd wordt. (Ik hoor er tenminste iets misprijzends in: alsof vrouwen eigenlijk een beetje op moeten schieten en niet zo lang moeten treuzelen omdat ze zo nodig andere dingen moeten doen.) Ik noemde, in enige brede streken, de verkrijgbaarheid van goede anticonceptie, de vrouwenemancipatie en het verlangen naar eigen werk en een eigen inkomen, de problemen om werk en kinderen te combineren, en het heersende idee van de planbaarheid van het leven.

Het verhaal van de arts viel het eenvoudigst te baseren op hard cijfermatig materiaal en wel de patiëntengegevens van haar afdeling neonatologie. Voor de verhalen van de psycholoog en mijzelf waren harde onderzoeksgegevens ontoereikend: gebrekkig voorhanden, en als ze er al waren slechts onderdelen van een omvattender betoog dat zich ook op andere bronnen baseerde. Al sprokkelend, ordenend en redenerend probeer je een verschijnsel inzichtelijk te maken. Zo versta ik althans mijn vak en zo heb ik er plezier in. Maar het beviel het gehoor, tenminste het spraakmakende gedeelte der vragenstellers, duidelijk minder. En zo maakte ik weer eens mee wat ik al weer een beetje ontwend was: de botsing der ideeën van wat wetenschap is en hoe je een verhaal opbouwt.

Je hebt, om het simpel weer te geven, de feitenverzamelaars en de verhalenvertellers. Natuurlijk is er geen feit zonder interpretatie en geen verhaal zonder gegevens, maar er is een duidelijke kloof tussen mensen die vooral bezig zijn met het verzamelen van statistische gegevens en mensen die dit en andere gegevens inpassen in een omvattender verhaal. Beide hebben bestaansrecht en soms heeft de ene dan weer de andere richting de wind mee. Ik behoor tot de verhalenvertellers, vind dat die veel te vaak in de verdediging worden gedrongen, en dat het zonder hen de dood in de pot is.

Maar ik bevond me opeens in ander gezelschap. Ik had dat kunnen weten. Nadat ik jarenlang heb gewerkt onder artsen, weet ik dat veel van hen maar op twee manieren kunnen denken: aan de hand van gevalsbeschrijvingen en in termen van statistische samenhangen. Iets daartussen in - een verzameling van gegevens, indrukken en observaties uit verschillende bronnen - roept bij hen grote ergernis op als betrof het louter subjectieve indrukken, persoonlijke invallen, journalistieke oppervlakkigheid. Kortom: geen wetenschap. Niet wat zij daaronder verstaan en wat ze als vanzelfsprekend superieur achten. Als standpunt is dat mogelijk, het kan zelfs leiden tot een interessante gedachtenwisseling of wetenschappelijke ruzie, maar de discussie werd helaas geleid door iemand die meer geïnteresseerd was in de vragenstellers dan in de antwoorden. Misverstand en belediging stapelden zich op, zonder dat we voldoende kans kregen er behoorlijk tegenin te gaan.

Even heb ik dan de assertieve droom dat ik luchtigjes over de bank naar voren spring, de microfoon pak uit handen van de falende voorzitter en de honende heer achter in de zaal, die wetenschap aanziet voor cijfers, subtiel doch hardhandig de mond snoer. Maar als immer te laat. De mensen dromden al het gangpad op naar de hapjes en drankjes en ik bleef zitten met een stevig opgezette woede, die mijzelf wel vitaliseerde maar geen geëigende uitweg vond. Ik vond het hoog tijd voor bijscholing van een deel van het publiek in het wetenschappelijk denken en de ontwikkelingen die zich daarin voordoen.

Nog nakauwend op deze leerzame ervaring kreeg ik de dag daarop twee teksten in handen die het nakauwen weer nieuwe smaak gaven. Een artikel over "De winst van woede' van de psychiater Nelleke Nicolai in een lezingenserie van het feministische blad Opzij over "Vrouwen en hun woede'. En de diësrede van de rector magnificus van de Universiteit van Amsterdam, P.W.M. de Meijer, over "de wending tot het verhaal' als nieuwe ontwikkeling binnen een aantal wetenschapsgebieden. Aan een universiteit, zo luidt De Meijers stelling, moet men “werken aan verhalen”, die niet alleen geproduceerd moeten worden maar ook voortdurend onderzocht, getoetst, beargumenteerd en geconfronteerd met andere verhalen. Dit is een opvatting van wetenschapsbeoefening die creativiteit en verbeeldingskracht niet bij voorbaat smoort, al bevat ze ook de nodige aansporing tot toetsing en beproeving. Velen zouden hier hun geestverruimende voordeel mee kunnen doen.

En over boosheid gesproken: ik heb me er wel eens zorgen over gemaakt dat ik - bij onvoldoende slechte ervaringen op grond van de seksehiërarchie - nooit voluit die feministische woede heb gevoeld. Maar de beroepenhiërarchie heeft me die ervaring gelukkig wel gegeven. Sommige artsen - ik zal de generalisatie maar even niet schuwen - beschouwen sociale wetenschapsbeoefenaren als een lager soort waarmee je niet op voet van gelijkheid discussieert, al gaat het over onderzoek en wetenschap. Deze grief, van jaren her, bleek er nog ongeschonden te liggen en bij voldoende kwetsende munitie mooi op te vlammen. Mijn ongerustheid over een woedetekort was tenminste geluwd.