Een "Handvest voor de Aarde'; Vrede, ontwikkeling en milieubescherming zijn onderling afhankelijk en niet te scheiden.

Onderstaand de ontwerp-tekst van het zogeheten "Handvest voor de Aarde', zoals dit vannacht in New York is vastgesteld. Het zal worden voorgelegd aan de conferentie van staatshoofden en regeringsleiders die in juni onder auspiciën van de Verenigde Naties wordt gehouden in de Braziliaanse stad Rio de Janeiro.

Grondbeginsel 1

Menselijke wezens staan in het middelpunt van de zorg voor duurzame ontwikkeling. Zij hebben recht op een gezond en produktief leven in harmonie met de natuur.

Grondbeginsel 2

In overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties en de uitgangspunten van het internationale recht hebben staten het soevereine recht om hun eigen hulpbronnen te exploiteren overeenkomstig hun eigen milieu- en ontwikkelingsbeleid, en zij dragen de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat activiteiten onder hun jurisdictie of beheer geen schade veroorzaken aan het milieu van andere staten of van gebieden die buiten de grenzen van hun nationale jurisdictie vallen.

Grondbeginsel 3

Het recht op ontwikkeling moet zodanig gebruikt worden, dat het op evenredige wijze de behoeften op het gebied van milieu en ontwikkeling dient van zowel huidige als toekomstige generaties.

Grondbeginsel 4

Om te komen tot duurzame ontwikkeling, zal milieubescherming een integraal bestanddeel van het ontwikkelingsproces zijn en niet afzonderlijk beschouwd kunnen worden.

Grondbeginsel 5

Alle staten en volken zullen samenwerken bij de essentiële taak van het uitroeien van armoede als onmisbare voorziening voor duurzame ontwikkeling, teneinde de verschillen in levensstandaard te verkleinen en beter tegemoet te komen aan de behoeften van het merendeel van de wereldbevolking.

Grondbeginsel 6

De aparte situatie en de behoeften van ontwikkelingslanden, in het bijzonder de minst ontwikkelde en de landen met het meest kwetsbare milieu, krijgen voorrang. Internationale inspanningen op het gebied van milieu en ontwikkeling moeten zich tevens richten op de belangen en behoeften van alle landen.

Grondbeginsel 7

Staten zullen in een geest van wereldomspannend deelgenootschap samenwerken aan het behouden, het beschermen en het herstellen van de gezondheid en zuiverheid van het eco-systeem van de aarde. Gezien de verschillende bijdragen aan de mondiale degradatie van het milieu hebben staten gemeenschappelijke, maar gedifferentieerde verantwoordelijkheden. De ontwikkelde landen erkennen de verantwoordelijkheid die zij dragen om te komen tot een mondiale duurzame ontwikkeling, gezien de belasting die hun samenlevingen op het mondiale milieu uitoefenen en gezien de technologieën en financiële hulpbronnen die zij beheersen.

Grondbeginsel 8

Om een duurzame ontwikkeling te bereiken en een hogere kwaliteit van het leven voor alle volken, zouden staten niet-duurzame produktiewijzen en consumptiepatronen moeten reduceren en elimineren, en passende demografische beleidslijnen moeten bevorderen.

Grondbeginsel 9

Staten moeten samenwerken bij het versterken van het endogene vermogen om duurzaam te ontwikkelen door het vergroten van wetenschappelijke inzichten middels uitwisseling van wetenschappelijke en technologische kennis, en het verbeteren van ontwikkeling, aanpassing, verspreiding en overdracht van technologieën, waaronder nieuwe en grensverleggende technologieën.

Grondbeginsel 10

Vraagstukken op milieugebied kunnen het best aangepakt worden met deelneming op het relevante niveau van alle betrokken burgers. Op nationaal niveau heeft elk individu passende toegang tot informatie van de overheid die van belang is voor het milieu, waaronder informatie over gevaarlijke stoffen en activiteiten in hun gemeenschappen, en de mogelijkheid om deel te nemen in het besluitvormingsproces. Staten zullen de publieke aandacht en deelname vergemakkelijken en bevorderen door informatie een grote verspreiding te geven. Doelmatige toegankelijkheid van juridische en administratieve procedures, waaronder schadevergoeding en verhaal, zal worden gegeven.

Grondbeginsel 11

Staten zullen een effectieve milieuwetgeving vaststellen. Milieunormen en de doelstellingen en prioriteiten van bedrijfsvoering zouden een weerspiegeling moeten zijn van de milieu- en ontwikkelingscontext waarop zij van toepassing zijn. De normen die sommige landen toepassen kunnen onjuist zijn en een ongerechtvaardigde economische en sociale tol betekenen voor andere landen, in het bijzonder ontwikkelingslanden.

Grondbeginsel 12

Staten moeten samenwerken bij het bevorderen van een ondersteunend en open internationaal economisch systeem dat zou leiden tot economische groei en duurzame ontwikkeling in alle landen en tot een betere bestrijding van de achteruitgang van het milieu. Handelspolitieke maatregelen die het milieu dienen moeten geen middel vormen om willekeurig of ongewettigd onderscheid aan te brengen, of een verhulde beperking van de internationale handel. Unilaterale acties om vraagstukken op milieu-gebied buiten de jurisdictie van het importerende land te willen oplossen, moeten vermeden worden. Milieumaatregelen gericht op grensoverschrijdende of mondiale problemen moeten, voor zover mogelijk, op internationale consensus gebaseerd zijn.

Grondbeginsel 13

Staten moeten nationale wetgeving ontwikkelen voor de aansprakelijkheid jegens en de schadeloosstelling van de slachtoffers van vervuiling en andere schade aan het milieu. Staten zullen ook samenwerken op ondernemende en meer vastberaden wijze bij het ontwikkelen van verdere internationale wetgeving betreffende aansprakelijkheid voor en compensatie van nadelige effecten van milieuschade op gebieden buiten hun jurisdictie of controle, die is veroorzaakt door activiteiten binnen hun jurisdictie of controle.

Grondbeginsel 14

Staten zouden op effectieve wijze moeten samenwerken bij het ontmoedigen of voorkomen van het overbrengen naar andere staten van alle activiteiten en stoffen die een ernstige achteruitgang van het milieu kunnen veroorzaken of waarvan wordt vastgesteld dat zij schadelijk zijn voor de menselijke gezondheid.

Grondbeginsel 15

Om het milieu te beschermen zullen staten op zo groot mogelijke schaal voorzorgsmaatregelen moeten nemen. Daar waar ernstige of onomkeerbare schade dreigt, zal de afwezigheid van onomstotelijke wetenschappelijke zekerheid niet gebruikt worden als argument voor het uitstellen van rendabele maatregelen die milieuschade voorkomen.

Grondbeginsel 16

Nationale autoriteiten moeten zich inspannen om te bevorderen dat milieukosten en het gebruik van economische middelen intern worden gedragen, volgens de gedachte dat de vervuiler, in principe, de kosten van de vervuiling behoort te dragen, gelet op het publieke belang en zonder internationale handel en investeringen te verstoren.

Grondbeginsel 17

Er zal op nationaal niveau een milieu-effect-rapportage worden verricht bij voorgenomen activiteiten die vallen onder nationale competentie en waarvan kan worden aangenomen dat ze een significant nadelige invloed op het milieu hebben.

Grondbeginsel 18

Staten zullen andere staten onmiddellijk op de hoogte brengen van natuurrampen of andere noodsituaties waarvan aannemelijk is dat ze plotselinge, nadelige effecten op het milieu van deze staten zullen hebben. De internationale gemeenschap zal alles doen om staten te helpen die op deze wijze worden getroffen.

Grondbeginsel 19

Staten zullen staten die mogelijk getroffen worden prioritair en tijdig op de hoogte brengen en hun relevante inlichtingen verschaffen over activiteiten die een significant nadelig, grensoverschrijdend milieu-effect hebben en zij zullen deze staten raadplegen in een vroeg stadium en in goed vertrouwen.

Grondbeginsel 20

Vrouwen hebben een vitale rol in het beheer van milieu en ontwikkeling. Hun volledige deelneming is daarom van essentieel belang om een duurzame ontwikkeling te bereiken.

Grondbeginsel 21

De creativiteit, idealen en moed van jongeren van de wereld zou aangewend moeten worden om een mondiaal partnerschap te smeden, teneinde duurzame ontwikkeling te bereiken en allen een betere toekomst te kunnen garanderen.

Grondbeginsel 22

Inheemse volken en hun gemeenschappen, en andere plaatselijke gemeenschappen hebben een vitale rol in het beheer van milieu en ontwikkeling door hun kennis van traditionale gebruiken. Staten zouden hun identiteit, hun cultuur en hun belangen moeten erkennen en ondersteunen en hen in staat moeten stellen deel te nemen aan het bereiken van duurzame ontwikkeling.

Grondbeginsel 23

Het milieu en de natuurlijke hulpbronnen van mensen die onderdrukt en overheerst worden en onder een bezetting leven, zullen worden beschermd.

Grondbeginsel 24

Oorlog is inherent aan de vernietiging van duurzame ontwikkeling. Staten zullen daarom het internationale recht eerbiedigen dat bescherming biedt aan het milieu tijdens een gewapend conflict en samenwerken bij de gezamenlijke ontwikkeling ervan, voor zover nodig.

Grondbeginsel 25

Vrede, ontwikkeling en milieubescherming zijn onderling afhankelijk en niet te scheiden.

Grondbeginsel 26

Staten zullen hun milieugeschillen vreedzaam oplossen op passende wijze, in overeenstemming met het handvest van de Verenigde Naties.

Grondbeginsel 27

Staten en volken zullen samenwerken in goed vertrouwen en in een geest van partnerschap bij de vervulling van de principes vervat in deze Verklaring en bij de verdere ontwikkeling van internationale wetgeving op het gebied van duurzame ontwikkeling.