De rust van de levende doden

Had Fassbinder nog onder de levenden verkeerd, dan had hij dezer dagen in de Hanzestad Hamburg een vervolg geschreven op zijn controversiële toneelstuk. Titel: Der Müll, Die Stadt und die Ruhe der lebenden Toten.

Hoofdrolspelers: de stad Hamburg, de beleggingsmaatschappij Büll & Liedtke, de Joodse Gemeente Hamburg en Athra Kadisha, een internationale orthodox-joodse organisatie die zich ten doel stelt, wereldwijd, joodse begraafplaatsen van de ondergang te redden.

Interessante bijrollen zijn er in overvloed. Bijvoorbeeld voor de Initiativgruppe Anti-Quarree, een actiegroep waarin bewoners van de wijk Ottensen ageren tegen de door Büll & Liedtke geplande bouw van het Kauf-Palast Quarree midden in hun buurt. Belangrijk detail is dat voor dit miljoenenproject een stuk grond is gekozen waar voor het laatst in 1934 een jood voor eeuwig zijn rust dacht te vinden. Het gaat om de joodse begraafplaats Ottensen, waarvan het eerste stukje grond in 1582 door de jood Arendt Jacob von der Littau werd aangekocht voor de stichting van een begraafplaats, wat in 1614 gebeurde.

Fassbinder, die het effect niet schuwde, zou wellicht ook de dichter Heinrich Heine en diens oom Salomon ten tonele hebben gevoerd. Heine bracht zes jaar van zijn leven in de havenstad door. Innige familiebanden deden hem meerdere malen terugkeren naar de stad, wier mercantilistische instelling zijn spotlust opwekte, de "Schacherstadt' waar “nicht das mindeste Gefühl für Poesie zu finden ist”. Daar waar "Bancos Geist' rondspookte, kon zijn oom Salomon zich ontwikkelen tot welvarend, invloedrijk bankier en weldoener van de joodse gemeenschap. Hij zou echter in Ottensen slechts een tijdelijke rustplaats vinden. In 1942 werd zijn graf ijlings overgebracht naar de joodse begraafplaats in Ohlsdorf. Deze "overleefde' het Derde Rijk, maar werd in oktober 1984 toch nog geschonden. De cirkel tussen verleden en heden.

In 1937 kreeg een zekere Herr Hirte toestemming op de joodse begraafplaats een kroeg te bouwen, die in de volksmond al snel "Café Leichenfledder' (Lijkepikker) ging heten. In 1939 werd de grond onteigend. De grafstenen - op de 175 na die hun weg naar Ohlsdorf vonden - werden verwerkt in bunkers. Vijf jaar na de oorlog verkocht de Jewish Trust Cooperation met toestemming van de Joodse Gemeente Hamburg het stuk grond aan het Hertie-concern, dat er een - intussen gesloten - warenhuis neerzette.

In 1990 lekken bouwplannen van Büll & Liedtke uit. Tussen hen en het stadsbestuur bestaan directe verbindingen: Liedtke is economisch adviseur van Voscherau, de SPD-burgemeester van Hamburg. Het verzet en de alternatieve plannen in de buurt komen op gang. Vooral de GAL (Grüne Alternative Liste) legt er veel nadruk op dat de joodse begraafplaats opnieuw onder een warenhuis zal verstikken en roept op tot "historische Verantwortung'. De stadsbestuurders en investeerders spelen echter de bal terug naar de joodse gemeente: met háár toestemming is destijds de grond verkocht. Voscherau schrijft in een brief aan de in Londen zetelende opperrabijn Jakobovits dat de huidige Duitse staat in tegenstelling tot zijn nazivoorgangers vóór alles de rechtsstaat hoog wil houden en dus niet kan ingrijpen. Herr Obberrabbiner ziet (grond)wetsbreuk toch vast en zeker niet als oplossing voor een fout, door joden zelf begaan...?

Inmiddels hebben echter de orthodoxe joden van Athra Kadisha de Duitse rechtsstaat uitgedaagd. Volgens de joodse wet hebben de doden recht op eeuwige "Totenruhe'. Slechts aan hen behoort de grond waarin zij liggen te wachten op het Einde der Dagen. In het zwart geklede mannen met baarden en hoeden bezetten het bouwterrein. Büll & Liedtke stoppen tandenknarsend de werkzaamheden: in het naoorlogse Duitsland laat een groep biddende joden zich nu eenmaal moeilijker met politiegeweld verwijderen dan "gewone' actievoerders. En zo is er een miraculeus bondgenootschap tot stand gekomen tussen een groep orthodoxe joden en (radicaal-)links Hamburg waarvan de meerderheid op zijn zachtst uitgedrukt fel gekant is tegen de Israelische regeringspolitiek.

De Joodse Gemeente Hamburg staat inmiddels tussen twee vuren. Enerzijds wil zij de orthodoxe joden, anderzijds de Duitse rechtsstaat niet afvallen. Zij betreurt de verkoop van 1950, maar acht deze onomkeerbaar. Dit in tegenstelling tot Athra Kadisha die, niet beducht voor de morele factor, erop wijst dat er zonder Shoah geen bunkers op een joodse begraafplaats waren gebouwd en geen verschrompelde joodse gemeente in arren moede in strijd met haar eigen wetten had gehandeld. (In 1952 behoorden er 1044 joden tot de Joodse Gemeente Hamburg; in 1933 waren dat er 26.000.) Tussen beide joodse groepen heerst, onofficieel, wrevel. Athra Kadisha - orthodoxe joden uit Israël, Antwerpen, Londen en New York - maakt de vuist die de liberaal ingestelde Joodse Gemeente Hamburg niet wil maken. De laatste heeft ondershands haar toestemming aan de bouwplannen van Büll & Liedtke gegeven, onder voorwaarde dat alle stoffelijke resten met de hand worden opgegraven en onder rabbinaal toezicht naar Ohlsdorf worden vervoerd. Waarom deze toestemming?

In dit kader wordt gespeculeerd over de rol van de bankier Max Warburg, die zowel persoonlijk als zakelijk nauwe banden met Büll onderhoudt en tot 1991 in het bestuur van de joodse gemeente zitting had. Fassbinders Rijke Jood?

Andersoortige motieven blijken echter doorslaggevender te zijn. Iemand uit het - verjongde - bestuur geeft te kennen dat het “jetzt um den Lebenden geht, nicht um den Toten”. Men heeft de handen vol aan interne democratisering, het organiseren van een hechter sociaal netwerk en het vinden van een "eigen' rabbijn. En door alles heen sijpelt de angst. Angst om de goede betrekkingen met het stadsbestuur te verspelen, angst om door "links' politiek gebruikt te worden, angst antisemitisme op te roepen. Precies op die laatste angst speelt het stadsbestuur in wanneer het zegt dat in de jaren negentig, met de opkomst van het rechts-radicalisme, “ein Entgegenkommen gegenüber den protestierenden Juden vor ihnen auch mit dem Gefahr des Auflebens vom Antisemitismus verbunden ist”.

Het is nu even pauze. Achter de coulissen onderhandelen de hoofdrolspelers over een compromis. Er zijn aanwijzingen dat Büll & Liedtke voor een gigantische som van de "affaire' afwillen en dat de regering in Bonn in het kader van de "Wiedergutmachung' bereid is in te springen. Rest de vraag of het stadsbestuur van Hamburg ervoor kiest historische en morele argumenten boven economische te laten prevaleren. Maar ook wanneer het doek opnieuw zal zijn gevallen, is het spel niet uit. Duitsland en de - Duitse - joden lijken elkaar omstrengeld te houden in een dodendans zonder einde.

Foto: Grafsteen op de joodse begraafplaats Ottensen in Hamburg

Salomon Heine, de rijke oom van de arme dichter.