DE MEDIAEVIST ALS POPSTER

Inventing the Middle Ages. The Lives, Works and Ideas of the Great Medievalists of the Twentieth Century door Norman F. Cantor 477 blz., William Morrow and Co 1991, f 63,65 ISBN 0 688 09406 6

In 1954 arriveerde een hoopvolle jonge Canadees in Oxford. Hij had in Princeton middeleeuwse geschiedenis gestudeerd en had een prestigieuze beurs gekregen - het Rhodes Scholarship - om zich verder te kunnen ontwikkelen bij de bekende Britse mediaevist Richard Southern. Het was even wennen voor hem in dit academische Mekka: aanvankelijk kon hij de WC in de Bodleian Library niet vinden, want die ging schuil achter een deur met het opschrift "School of Oriental Languages'.

Een ernstiger probleem was het stroeve contact met zijn beoogde supervisor. Southern noodde hem op de thee, was heel beleefd, maar volhardde in de misvatting dat de Canadees een leerling was van Ernst Kantorowicz, aan wie hij een hekel had. Hij betwijfelde of hij wel een geschikte begeleider zou zijn, en zei vervolgens: ""Weet je wat - schrijf een essay voor me over Anselmus van Canterbury. Dan zal ik besluiten of ik je wil begeleiden.'' De Canadees ging wanhopig terug naar zijn kamer en zwoegde de hele nacht door. De volgende dag deponeerde hij een essay van 30 bladzijden bij Southerns secretaresse.

Twee dagen later kwam de reactie. Southern vond dat hij niets van Anselmus had begrepen, maar was verrast door het feit dat hij al dat werk binnen anderhalve dag voor elkaar had gekregen. Hij besloot de jongeman te begeleiden. Zevenendertig jaar later schrijft de Canadees mismoedig: ""Southern was vergeten dat ik hem verteld had dat ik al een heel jaar onderzoek naar Anselmus achter de rug had. Hij accepteerde me vanwege een misverstand.''

De Canadees, Norman F. Cantor, is tegenwoordig hoogleraar aan New York University. Hij behoort dus niet langer tot de outsiders, maar tot de gevestigden. Toch wordt zijn recente boek over de twintigste-eeuwse mediaevistiek, Inventing the Middle Ages, beheerst door die eerste, ambivalante ervaringen in Oxford. Als een enthousiaste, onervaren ridder trok hij naar Camelot, maar dat hield zijn eerbiedwaardige poorten voor hem gesloten. Gedurende zijn jaar in Oxford sprak hij Southern misschien zes keer, meestal tijdens wandelingen door het park. ""Hij ondervroeg me over boeken die ik wel gelezen had en hij niet.''

WEGBEREIDER

Cantor geeft toe dat hij Southern geïdealiseerd had voordat hij naar Oxford kwam. Diens The Making of the Middle Ages (1953) was voor velen, onder wie Cantor, het begin van een nieuw tijdperk in de geschiedschrijving over de middeleeuwen. Hoewel het bedoeld was als een inleidend werkje voor studenten, groeide het uit tot een uiterst persoonlijke en fraai vertolkte visie op het ontstaan van de middeleeuwse beschaving in het Westen.

Cantor hoopte kennelijk dat Southern de leider zou worden van een echte historische school - de wegbereider van een nieuw tijdperk in de mediaevistiek. Maar 's mans persoonlijkheid was daar absoluut niet naar. Southern was een bescheiden mens, een individualistische geleerde met een goed huwelijk, die zijn privéleven afschermde en er niet de minste behoefte aan had om de goeroe uit te hangen.

Cantor vergelijkt zijn voorzichtige optreden met de zelfverzekerde verkooptaktiek van Franse historici zoals Emmanuel Le Roy Ladurie, Jacques Le Goff en Georges Duby, die sedert de jaren zestig het toneel zouden beheersen, zowel in de academische wereld als op de bestsellerlijsten. Spijtig constateert hij dat Southern een potentiële leidersrol afwees en koos voor het conventionele bestaan van de Oxfordse don. Zou Southern nu inderdaad niet af en toe 's nachts wakker liggen en er spijt van hebben dat hij destijds de uitdaging niet aannam?

Het bovenstaande kenmerkt de toon van dit boek. Het is een soms knappe historiografische studie, een persoonlijke en eerlijke visie op het vak, maar ook een roddelkroniek en een vergaarbak van neurotische prietpraat. Het is tegelijk amusant, weerzinwekkend en inspirerend, en af en toe ook volstrekt mallotig. Naast rancuneuze karikaturen bevat het trefzekere portretten. Ik heb Cantor nooit ontmoet, maar bescheidenheid zal ongetwijfeld niet zijn voornaamste deugd zijn.

De laatste bladzijden van Inventing the Middle Ages heb zelfs ik met stijgende verbazing gelezen: ze behelzen een pleidooi voor "retromedievalism'. Dat wil zeggen dat de middeleeuwse cultuur zou moeten dienen als bron van inspiratie voor de eenentwintigste eeuw. ""Haast niemand gelooft meer in kapitalisme of socialisme als een systeem van waarden'', schrijft Cantor losjes. Dus moeten we volgens hem onze culturele modellen elders zoeken, en wel in de middeleeuwen. Ik ben blij dat ik tijdens colleges mijn studenten geen alternatief voor socialisme of kapitalisme hoef te bieden. Het lijkt me wat veel gevraagd.

VOORTREFFELIJKE PERS

Feit blijft dat dit eigenaardige boek leest als de spreekwoordelijke trein. Bovendien zijn Cantors persoonlijke ervaringen met vakgenoten vaak echt interessant, hoe vooringenomen hij ook is. Zijn promotor, de Amerikaan Joseph Strayer, krijgt overigens een voortreffelijke pers, hoewel die zo mogelijk nog minder tijd aan Cantor besteedde dan Richard Southern. In de vier jaar waarin Cantor aan zijn proefschrift werkte, sprak hij Strayer al met al een half uur - waarvan negenentwintig minuten bij aanvang van het project. Toen hij hem twee hoofdstukken toestuurde, kreeg hij ze terug met de summiere aantekening: ""Je kunt veel beter.''

Bij de overhandiging van het lijvige manuscript vroeg Strayer: ""Wat is dat nou? Je dissertatie? Ik dacht dat je die vorig jaar al had ingeleverd. Kom morgen terug, dan zal ik je zeggen wat ik ervan vind.'' Cantor kwam daags daarna terug en Strayer zei: ""Het is in orde. Ik zal zorgen dat de verdediging geregeld wordt.'' Meer kreeg hij er nooit over te horen.

De gebeten honden in Cantors verhaal zijn de Franse historici. Marc Bloch, die niet alleen in Frankrijk maar ook daarbuiten geldt als de huisheilige van de mediaevistiek, wordt afgeschilderd als een onaangename persoonlijkheid, die nog een slechte vader was op de koop toe. Zijn heroïsche dood in 1944 in het Franse verzet zou het nageslacht blind hebben gemaakt voor deze karakterfouten. Blochs benadering van de middeleeuwse geschiedenis is veel te structuralistisch, meent Cantor; het beroemde La société féodale (1939) vormt in zijn ogen een welbewuste breuk met de verhalende stijl in de geschiedschrijving, die het vak geen goed heeft gedaan.

Hoe valt dit dan te rijmen met het grote succes van Franse narratieve historici zoals Duby en Le Goff? Volgens Cantor grijpen zij langs Bloch terug op een verhalende traditie vertegenwoordigd door de Belg Henri Pirenne. Overigens beschrijft Cantor misprijzend hoe tijdens de zegetochten van de Franse helden der mediaevistiek in Amerika tijdens de jaren zeventig zich taferelen afspeelden die meer thuishoren in de sfeer van de popmuziek dan in die van de academische geschiedschrijving. Toen Le Roy Ladurie (""a quondam Communist and the priviliged son of a Vichy collaborator'') New York University bezocht, propten 400 mensen zich in een collegezaal bestemd voor 250 personen. De geëerde spreker las met een zwaar Frans accent voor uit een in het Engels vertaalde tekst. Na een half uur viel de geluidsinstallatie uit, en die bleef twintig minuten onklaar. Maar Le Roy Ladurie las onverdroten voort, hoewel alleen de eerste rijen hem nog konden horen. Niemand durfde echter een vin te verroeren in de charismatische aanwezigheid van de auteur van Montaillou.

HANG-UP

Gaat het hier om een Canadese Amerikaan die lijdt aan een minderwaardigheidscomplex tegenover Europese historici? Mogelijk speelt dit een rol, maar het is niet Cantors voornaamste hang-up. Bovendien, de Amerikaanse en Canadese mediaevistiek heeft inmiddels een respectabele staat van dienst opgebouwd; en zulke genante bijeenkomsten met Franse historici zijn er ook in Europa geweest. Ik herinner me bij voorbeeld een sessie in het Maison Descartes in Amsterdam waarbij Le Roy Ladurie er nauwelijks in slaagde om wakker te blijven tijdens zijn eigen voordracht. Dit ten overstaan van een gehoor dat veel te lang geïnteresseerd de oren bleef spitsen. Een collectief gesnurk vanuit de zaal was passender geweest.

Cantors irritatie over het idolate gedrag van het cultuurminnende publiek is volstrekt begrijpelijk. Maar zijn ergernis over het grote succes van de Fransen, zeker vergeleken met historici die hij meer bewondert, zoals Southern en Schramm, verleidt hem tot curieuze overdrijving. Nergens wordt duidelijk waarom bijvoorbeeld Georges Duby wel degelijk een goed historicus is. Alleen omdat hij schrijft voor een groot publiek? Mijns inziens toch vooral vanwege zijn sensitieve interpretatie van verhalende bronnen. Duby's bescheiden intellectuele autobiografie L'Histoire inconnue (1991; in september verschijnt de vertaling bij Van Gennep) toont dat eens te meer aan. En om Jacques Le Goff af te doen als een ""master of the populist mode'' wiens favoriete genre het programmatische manifest zou zijn, dat is niets meer of minder dan een malicieuze karikatuur.

MOEZELWIJN

Aan wie doet Cantor dan wel recht? In de eerste plaats aan Percy Ernst Schramm (1894-1970) en Ernst Hartwig Kantorowicz (1895-1963). Hij stelt zich voor hoe deze twee jonge en ambitieuze historici samen op een zomerdag in 1925 in Heidelberg aan de Moezelwijn zaten. Beiden werkten op dat moment aan boeken die beroemd zouden worden: Schramm aan zijn studie over Keizer Otto III, de tiende-eeuwse belichaming van de wederopleving van het Romeinse rijk in Duitse gedaante; Kantorowicz aan zijn biografie van een andere Duitse keizer, de dertiende-eeuwse Frederik II, die reeds bij tijdgenoten een angstige verering opwekte en daarom als stupor mundi ("wereldwonder') de geschiedenis in ging.

Zowel Schramm als Kantorowicz interesseerden zich voor de rituele expressie van politieke macht. In die zin waren ze voorlopers van de meer antropologisch georiënteerde mediaevistiek die in de jaren zeventig in Frankrijk gestalte kreeg. Maar beiden waren ook erfgenamen van de Duits-Europese traditie van Bildung en filologische expertise.

Ze krijgen door Cantor het provocerende etiket "The Nazi Twins' opgeplakt omdat Schramm - in weerwil van persoonlijke reserves - zich liet noden aan Hitlers dis (in 1963 publiceerde hij zijn tafelgesprekken met de Führer). Kantorowicz behoorde tot de kring rondom Stefan George; zijn studie over Frederik II (1928) was bedoeld als monument voor een eigenzinnige en geniale keizer, een held en leidersfiguur zoals Duitsland er zijns inziens opnieuw een nodig had. Maar Kantorowicz was jood, en zijn connecties met de hoge adel in Berlijn boden hem op den duur geen bescherming meer. Uiteindelijk vluchtte hij in 1938 naar Oxford.

Daar wachtte hem een moeilijke periode. De Oxfordse intellectuelen moesten niets hebben van de aristocratische Duitser met zijn flamboyante kledij en zijn voorliefde voor hertoginnen. Aanvoerder van de in nonchalante tweedjasjes gehulde critici was de jonge Richard Southern. Het is evident dat Cantor in het licht van zijn eigen slechte ervaringen in "Camelot' zich identificeert met Kantorowicz. Deze verruilde al snel het stijve Oxford voor het zonnige Berkeley, waar hij opbloeide als belichaming van de Europese eruditie, en het centrum van een groep bewonderende leerlingen werd. Later kwam hij terecht in Princeton. Daar schreef hij zijn tweede meesterwerk, The King's Two Bodies. A Study in Medieval Political Theology (1957). Het vormt de neerslag van een levenslange vertrouwdheid met de liturgie en het politieke denken van de middeleeuwen.

Cantor geeft een scherpzinnige analyse van beider werk, en ik deel zijn bewondering voor het oeuvre van Schramm en Kantorowicz. Al even invoelend behandelt hij de zonderlinge geschiedschrijver van het Engelse kloosterwezen in de Middeleeuwen, Dom David Knowles. Die legde in 1914 als achttienjarige de kloostergelofte af in een Benedictijner abdij, en ontwikkelde zich tot een historicus van formaat. Maar hij werd in toenemende mate getergd door rusteloosheid, en na conflicten volgde een vlucht uit het kloosterleven. In 1938 bleek dat Knowles een flat in Londen had gehuurd, direct boven die van een Zweedse psychiater, Elisabeth Kornerup. Met haar zou hij zijn leven lang een intense band houden. Uiteindelijk werd hij in 1946 hoogleraar in Cambridge, en van 1953 tot 1961 zelfs regius professor. Zijn studies over het religieuze leven in Engeland zijn nog steeds standaardwerken.

TOLERANTE DISCRETIE

Cantor heeft een schoorvoetend respect voor de tolerante discretie waarmee het vormelijke Engelse academia omging met de Benedictijner monnik die als hoogleraar buiten zijn abdij leefde, en die bovendien een onduidelijke relatie onderhield met een Zweedse psychiater. Wat meer is: Cantor meent dat alle Engelse mediaevisten - J. R. R. Tolkien en C. S. Lewis incluis - een stuk beter zouden zijn gevaren als ze ook maar eens een keertje in therapie waren gegaan.

Zo valt men bij het lezen van Cantors bestorming van Camelot van de ene verbazing in de andere. Het biedt mooie, informatieve stukken over Ernst Robert Curtius en Erwin Panofsky, een evenwichtig relaas over de Amerikaanse vakgenoten, rancuneuze debunking van Marc Bloch en de Fransen, en dan tot slot nog een vrolijke rommelzolder van "Outriders', waar Johan Huizinga is ondergebracht samen met Eileen Power, Carl Erdmann en Theodor Ernst Mommsen. Geen slecht gezelschap voor de enige internationale beroemdheid die de vaderlandse mediaevistiek heeft voortgebracht.

De vraag blijft ondertussen wel waarom zoveel voortreffelijke historici in de twintigste eeuw zich op de middeleeuwen hebben gestort. Waarom gaan zij daar onverdroten mee door - ook de huidige jongeren, in weerwil van de beroerde toekomstperspectieven? En dat in de hele Westerse wereld? Cantors boek werpt die vraag opnieuw op, en ik voel mij uitgedaagd tot een reactie.

Welnu: iedere historicus die zich bezighoudt met een verder verleden wordt met de neus gedrukt op het spanningsveld tussen het eendere en het andere. In welk opzicht zijn mensen door de eeuwen heen hetzelfde gebleven, en in welk opzicht veranderden zij? Kortom, de historische variant van nature versus nurture. Voor mediaevisten geldt dit wellicht in optima forma. In de middeleeuwen wordt het eendere al snel overheerst door het andere.

Dat geldt voor het grote publiek, dat geboeid is door het rariteitenkabinet van al wat "middeleeuws' heet te zijn, terecht of onterecht: van godsoordeel tot hekserij, en van mystiek tot het ius primae noctis. Soms kan het uiterst irritant zijn om wederom opgebeld te worden door een journalist die alles wil weten over de kuisheidsgordel. Daar heb ik niet voor doorgeleerd, zeg ik dan pinnig. Maar ook de vakmensen komen in hun rondgang door de bronnen in een andere wereld terecht, waar ze dan misschien op ambachtelijke wijze feit en fictie van elkaar kunnen onderscheiden, maar waar ze tegelijkertijd rondlopen als antropologen bij een eerste bezoek aan een vreemd volk.

PARIJSE MODE

Het wekken van een gevoel van verwondering en herkenning, met andere woorden het uitbuiten van de spanning tussen het eendere en het andere - daarin is naar mijn smaak de kracht van de twintigste-eeuwse mediaevistiek gelegen, binnen en buiten de universiteit. In de jaren zeventig kreeg die verhevigde aandacht voor voorstellingswereld en beeldvorming onder invloed van de groep Annales het etiket "mentaliteitsgeschiedenis' opgeplakt.

Velen mopperden op deze nieuwe Parijse mode, die ook wel weer voorbij zou gaan, maar dat bleek niet te gebeuren. Bovendien was deze benadering al lange tijd bekend geweest zonder dat het woord mentaliteit was gevallen, ook buiten Frankrijk. En dat gold niet alleen voor Huizinga, wiens openingswoorden van Herfsttij der Middeleeuwen (1919) dat gevoel van bevreemding zo goed samenvatten: ""Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu.''

Ook Schramm en Kantorowicz, beiden goed thuis in de vroege middeleeuwen, zagen scherp het "andere' in de alomtegenwoordige liturgie in het Karolingische en Ottoonse rijk, en dat deden ze in een tijd waarin het kerkelijke ritueel nog voornamelijk als een hobby voor katholieke kerkhistorici werd gezien. Kantorowicz preludeerde met zijn aandacht voor de ""liturgifying society'' op de huidige belangstelling voor rituelen, zoals de offerande, de kroning, de zalving, de koninklijke intocht.

Mijn eigen Amsterdamse opleiding in de jaren zeventig blonk uit door het verzwijgen van zulke interessante literatuur, al lazen we oorkonden bij de vleet en kenden we menig leerboek over de feodaliteit uit het hoofd. Het was alsof de docenten een complot hadden gesmeed om de eigentijdse mediaevistiek voor studenten verborgen te houden. Schoorvoetend werd toegegeven dat er iets als Annales bestond, en van Schramm of Kantorowicz had kennelijk niemand gehoord. Gelukkig stonden ze - nimmer uitgeleend - voor het grijpen in de bibliotheek. Als vierde-jaarsstudent heb ik in 1974 met het angstzweet in de handen toch maar een verhaal voor de vakgroep gehouden over Duby's toen pas verschenen Guerriers et Paysans, want het leek me een belangrijk boek, en niemand praatte erover.

Naast ""the world they have lost'' ontmoeten mediaevisten overigens evenzovele naar de moderniteit vooruitwijzende verschijnselen. De twaalfde eeuw, het tijdperk waarin Southern en Duby zich bij voorkeur begeven, was een tijd van diepgaande mentaliteitsverandering: ik noem hier de nieuwe nadruk op wederzijdse instemming van de echtelieden bij het huwelijk, en op de eigen keuze voor het kloosterleven; verder de verinnerlijking van het zondebesef met grotere aandacht voor persoonlijke intentie, en de storm van kritiek op het godsoordeel.

De herwaardering van de twaalfde eeuw kreeg trouwens al veel eerder gestalte in een offensief tegen de "officiële' Renaissance van de veertiende eeuw; dit onder aanvoering van de ook door Cantor geportretteerde Amerikaan C. H. Haskins, die sprak van Renaissance of the Twelfth Century (1927). Richard Southern publiceerde in 1970 een prachtig opstel over het twaalfde-eeuwse humanisme, en gaf daarmee handen en voeten aan Haskins' enigszins polemiserende pleidooi. Wie dit stuk leest, begrijpt eens te meer waarom Southern zo bewonderd wordt, want hier is iemand aan het woord met empathie en verbeeldingskracht; een geleerde en bescheiden man, die nog prachtig kan schrijven bovendien.

CONFRONTATIE

Wie de spanning tussen het eendere en het andere tot haar recht wil laten komen, en deze tegelijk vertrouwde en verloren wereld op wil roepen, heeft sensitiviteit en stilistische vermogens nodig. Het is op dit vlak dat veel van de grote mediaevisten uitblinken, en daarmee hebben zij zich een groot publiek verworven. Het werk van Southern en Duby, of dat van Bloch, Pirenne en Huizinga is niet alleen boeiend door het gedegen onderzoek, maar vooral door de uiterst persoonlijke confrontatie tussen de historicus en zijn bronnen. Duby omschreef middeleeuwse auteurs als zijn ""gesprekspartners'', en zijn werk als het resultaat van de ""dialoog'' die hij met hen voerde.

Mediaevisten zijn in die benadering zeker niet uniek, maar hebben van hun eigen nood een deugd gemaakt. Dat hun bronnen - zeker die van voor de veertiende eeuw - vaak bitter weinig harde gegevens opleveren, wordt minder bezwaarlijk als men de aandacht verlegt naar de voorstellingswereld van de middeleeuwse auteurs, en zo de maatschappelijk-culturele bril waardoor zij keken tot het eigenlijke voorwerp van onderzoek maakt. De aanvankelijk bijgeluiden worden dan tot hoofdmotief.

In alle boeken over de middeleeuwen die momenteel tot de verbeelding spreken, heeft zo'n verschuiving plaatsgevonden. Die koerswijziging is bevrijdend geweest. Zij biedt ruim baan aan briljante prestaties, en trouwens ook aan beunhazerij. Mede daarom is het zo belangrijk dat aan de universiteiten de ambachtelijke opleiding overeind blijft: Latijn, oud schrift en bronnenleer - de oorkonden inbegrepen. Al was het alleen maar om het respect voor "het andere' te helpen ontwikkelen, en de middeleeuwse geschiedenis buiten de sfeer van het rariteitenkabinet te houden.

Dat de snelle veranderingen in onze eigen samenleving hebben bijgedragen aan de interesse voor de middeleeuwen, dat lijdt geen twijfel, al voelen academische mediaevisten zich daar soms wat ongemakkelijk bij. Om dat te zien is geen "retromediaevalism' à la Cantor nodig. Het is geen toeval dat het middeleeuwse huwelijk voorwerp werd van een veelgelezen studie door Duby (La femme, le prêtre et le chevalier, 1981) in een tijd waarin datzelfde kerkelijke huwelijk, waarvan hij de opkomst beschreef, grotendeels in onbruik raakte; dat het onderzoek naar religieuze voorstellingen juist populair werd toen de kerken leeg raakten; dat de geschiedenis van rituelen een hot item werd na het Tweede Vaticaans Concilie, toen de middeleeuwse liturgie niet langer de eigen liturgie was.

Daarmee zijn we weer terug bij de beginfase van het vak, die samenvalt met de Romantiek, toen "retromedievalism' aan de orde van de dag was. Maar de situatie ligt nu toch anders. We hebben nog net voldoende affiniteit met "het andere' om ons ervoor te kunnen interesseren, en ook voldoende distantie om het verhaal in een historisch perspectief te situeren.

Kortom, eender en anders: het blijft vooralsnog de voedingsbodem voor een permanent Inventing the Middle Ages. Want de studie van het verleden is nog steeds een van de manieren waarop mensen zich in hun wereld oriënteren - niets meer en ook niets minder.