De kleine wetenschap (11)

Hurken en knielen zijn twee bewegingen die tot doel hebben het hoofd dichter bij de aarde te brengen. Het hoofd van de hurkende bevindt zich op dezelfde hoogte als het hoofd van de knielende. Maar dat is dan ook de enige overeenkomst. Het knielen, de voltooiing van het door de knieën gaan, is godsdienstig of mystiek belast, literair uitgebuit, een van de meest dramatische manoeuvres die de mens met zijn lichaam kan maken, en daardoor weer het onderwerp van wetenschappelijke studie. Over het knielen zijn boekdelen geschreven. Het hurken moet, voorzover ik weet, zijn eerste serieuze onderzoeker nog krijgen.

Natuurlijk: het is geen wonder dat in verscheidene godsdiensten en sommige persoonlijke verhoudingen (de man die de hand van zijn geliefde vraagt, de overwonnene die om genade smeekt) de voorkeur aan het knielen boven het hurken wordt gegeven. In beide bewegingen - het zich lager maken - zit een element van rangorde. Men levert zodoende het bewijs dat men zijn plaats in de hiërarchie heeft herzien. Bij de knielende is het de bevestiging dat hij zich heeft onderworpen. In zijn nieuwe houding bevindt hij zich stevig op aarde, hij valt niet om te duwen, hij laat zien dat hij zijn plaats kent: onwrikbaar nederig.

De hurkende is in wankel evenwicht: één zetje en hij ligt, of als hij dat wil voorkomen, één commando uit zijn hersens aan zijn spieren en gewrichten en hij staat weer. Wie gehurkt zit, blijft - althans in onze cultuur - nooit lang in die houding, terwijl onderworpenheid juist wordt bevestigd doordat die van onbepaalde duur is. De wereldliteratuur maakt geen melding van iemand die hurkend zijn aanzoek heeft gedaan. Allemaal oorzaken waardoor het hurken nooit is bestudeerd. Vandaar dat de ontwikkelingen in het hurken niet zijn opgemerkt. Dat is jammer. Ik geef meteen toe dat het belang van het onderwerp in het niet verzinkt vergeleken bij datgene waarover we meestal in de krant lezen. Niettemin leert het iets over de omgangsvormen.

Het kind maakt al vroeg kennis met de hurkende volwassene. Die brengt zichzelf niet op lager niveau uit onderworpenheid, maar uit bereidwilligheid: om te troosten, iets uit te leggen, iets uitgelegd te krijgen of eenvoudig om niet gehinderd door de afstand een gesprek te voeren. Hij kan het kind ook optillen, dat heeft op korte termijn hetzelfde effect, maar hurken is gemakkelijker. Het kind is in de gelegenheid, het gezicht van de volwassene van heel dichtbij te zien, en vooral als die niet zijn moeder is, valt het niet mee. Hurkende ooms en tantes, oma's en opa's: bewaar je ervoor. Een hurkende agent wens ik geen enkel kind toe.

Door dit eerste hurken van grote mensen voor kinderen heeft het woord een overdrachtelijke betekenis gekregen. Als nu wordt gezegd dat een spreker of een autoriteit voor zijn gehoor op zijn hurken is gaan zitten, betekent dit dat hij het heeft onderschat. De minister ging voor de Kamer op zijn hurken zitten: dat is geen compliment voor de Kamer. En toch gebeurt dat steeds meer, niet speciaal in de verhouding tussen minister en Kamer, maar bijna overal waar iemand zich tot een anoniem, massaal publiek richt.

Vanzelfsprekend, want op radio en televisie is het bijna altijd een enkeling die "communiceert' met de anonieme, zelfs onzichtbare massa. Om de kans op misverstanden te vermijden, gaat zo iemand bij voorbaat op zijn hurken zitten. Vandaar dat de meeste reclamespotjes ons van hurkhoogte worden toegediend; vandaar dat men zich in die creatieve kringen heeft bekwaamd in een stupiditeit, een eenvoud van humor, een treurigheid van communicatie die een kind face to face met welk familielid dan ook niet zou nemen. In de massamedia wordt onophoudelijk gehurkt, de beheerders van die instellingen zijn in deze zit verstijfd.

Hieruit blijkt dat het doel van het hurken tegengesteld is aan dat van het knielen. Wie hurkt brengt zich op hetzelfde niveau als iemand die hij in een lagere positie veronderstelt; dat is voor laatstgenoemde een depreciatie. Wie knielt brengt zich op een veel lager niveau dan degene voor wie hij dat doet, om op die manier te bewijzen dat hij niet denkt zijns gelijke voor zich te hebben; dat is voor degene aan wie het knielen wordt besteed een appreciatie.

Maar er heeft zich nog een ander hurken ontwikkeld. Op congressen van politieke partijen die met hun tijd meegaan en ook al in sommige restaurants, zie je meer en meer mensen hurken bij iemand anders die op een stoel zit. Is dat depreciatie of appreciatie?

Van hurken voor de ander in een openbare gelegenheid gaat een intieme suggestie uit. Het zou ook mogelijk zijn, gewoon te blijven staan en op dezelfde toon hetzelfde te zeggen, en daarna desnoods te bukken en met één arm op tafel gesteund verder te praten, maar sommige mensen zijn daar niet tevreden mee. Ze willen in het openbaar door hun motoriek een overmaat van toenadering tonen. Dit hurken doen ze in de eerste plaats voor zichzelf, opdat het door zoveel mogelijk anderen zal worden gezien. Het is geen depreciatie noch appreciatie; degene voor wie wordt gehurkt is geen doel maar middel. De hurkende toont zodoende een moderne paradox: een exhibitionisme door intimiteit. Het is verwant aan het luidkeels en ongevraagd tutoyeren, die overmaat van ongevraagde democratische gelijkschakeling in het spraakgebruik.

Ostentatief vertoon van intimiteit is ook een poging tot geforceerde gelijkschakeling: de toeschouwers kunnen vaststellen dat in dit openbaar op gelijk niveau smoezen de laatste verschillen zijn opgeheven, niet alleen de hiërarchische maar ook de onomschreven, onofficiële barrières waardoor men zijn privacy beschermt. Het moderne hurken is een kleine, brutale, in pseudo-spontaniteit verpakte invasie.

Dat degene voor wie gehurkt wordt onwillekeurig moet denken aan een ogenblik, tientallen jaren geleden, waarop hij verrast werd door het hurken van een toen al ongewenste opa, behoeft geen betoog.