Albanie; Exit de ongeloofwaardigheid

Twintig jaar lang was hij propagandachef, tien jaar lang tevens kroonprins van Enver Hoxha, Albanië's eigen Stalin; zes jaar lang was hij na diens dood zijn opvolger als leider van de communistische partij. Tot anno 1991 de democratie uitbrak, want toen werd Ramiz Alia, inmiddels tevens president, op slag democraat.

Het aftreden van Alia, gisteren door hemzelf in een televisietoespraak bekendgemaakt en vandaag bekrachtigd door het pas vorige maand gekozen parlement, betekent het politieke einde van een man die nooit geloofwaardig is geweest. Hij was het niet als opvolger van Hoxha, want in die laatste jaren van het hardhandige Albanese socialisme kwam de voormalige propagandachef steeds duidelijker klem te zitten tussen Hoxha's starre idealen die hij zelf zo lang zo ijverig had gepropageerd en de politieke en economische noodzaak om het roer bij te stellen. Dat dilemma heeft Ramiz Alia nooit kunnen oplossen: het bleef bij geschipper, bij aarzelingen en bij kleine concessies, waarvoor de partijchef zich ideologisch in steeds krampachtiger bochten moest wringen.

En het was zijn laatste dilemma niet. Toen het socialisme viel, en nieuwe democratische principes hun intrede deden, en dus de communistische oldspeak moest worden afgeleerd, heeft Ramiz Alia het daar nog heel lang moeilijk mee gehad. Zeker, de misstanden werden veroordeeld, Hoxha werd gehekeld. Maar Alia voelde zich ondanks een decennia lange staat van dienst in Hoxha's leiding zelf niet schuldig: “Elk lid van het politburo draagt verantwoordelijkheid. Maar niet allemaal evenveel. Ik hield me in het politburo bezig met cultuur, onderwijs en wetenschap. Ik had niet de macht alle slechte zaken tegen te houden,” zei Alia in februari vorig jaar nog. En zelfs het doen en laten van de partij als zodanig in die meer dan veertig jaar waarin het meedogenloze stalinisme van wijlen zijn baas had geheerst kon Alia niet veroordelen. “We vrezen de geschiedenis niet,” zei hij dapper na de eerste vrije verkiezingen in maart vorig jaar, verkiezingen waarin de ex-communisten onder de nieuwe vlag van het socialisme nog als grootste partij uit de bus waren gekomen. Sterker nog: “Oog in oog met de geschiedenis zijn we trots. Elke terugblik bevestigt dat. De partij heeft het lot van het volk in handen genomen op een moment waarop het bestaan van de natie op het spel stond en heeft van Albanië een moderne staat gemaakt, die zich kan laten zien in de grote familie der volkeren. Het volk is de partij vol vertrouwen gevolgd omdat het haar als bevrijders beschouwde.”

Hoe modern die staat wel is, die staat die de partij van Hoxha en Alia had opgebouwd, kunnen de Albanezen inmiddels aan den lijve constateren, elke dag: ze leven in een ruïne, ze zouden zonder het buitenland van honger omkomen en de sfeer in het land is alleen nog samen te vatten in termen als chaos en anarchie. Fabrieken staan stil. Machines roesten weg. Een volk is werkloos. Albanië is een land waar alles wat 's nachts beweegt - een trein, een auto, een voetganger - wordt overvallen door mensen die weinig anders bezitten dan een lege maag.

Het afscheid van Alia werd verwacht sinds de recente monsterzege van de voormalige oppositie, de Democratische Partij, die vorige maand deed wat haar een jaar geleden nog niet lukte: ze verpletterde de voormalige communisten, kreeg 79 van de 140 zetels in het parlement, tegen de ex-communisten maar zes. Donderdag bood het overgangskabinet van de technocraat Vilson Ahmeti haar ontslag aan. Gisteren was het de beurt aan Ramiz Alia.

Het vertrek van de laatste neo-communist uit de politieke leiding van Albanië maakt de weg vrij voor de democratische krachten, de Democratische Partij van Sali Berisha voorop. De kans dat hij Alia opvolgt als eerste democratische president sinds het slechts één jaar durende leiderschap van Fan Noli in de jaren twintig, is groot: een andere kandidaat lijkt niet voorhanden sinds de nog steeds in Parijs verblijvende schrijver Ismail Kadare voor die eer heeft bedankt. “Ik hoop dat het parlement het presidentschap overdraagt aan iemand die in staat zal zijn Albanië met de wil van het volk te leiden,” zo zei Alia gisteren in zijn laatste toespraak. Het was, op een merkwaardige manier, een erkenning van eigen falen. De wil van het volk heeft Ramiz Alia immers nooit achter zich geweten.