Vluchten zou ik als verraad hebben beschouwd; Gunter de Bruyn over nazi-Duitsland en de DDR

De schrijver Günter de Bruyn was wel soldaat in het Derde Rijk maar geloofde niet in Hitler. Veel Duitsers herkennen zich in zijn weinig heldhaftige levensverhaal. “Ik heb altijd een flinke afstand tot de staat bewaard, zodat mijn wereld ook niet instortte toen de DDR ter ziele ging.”

Günter de Bruyn: Zwischenbilanz. Uitg. S. Fischer, 378 blz. Prijs ƒ 53,20.

In februari 1943 wordt de Berlijnse scholier Günter de Bruyn samen met zijn klasgenoten bij de luchtafweer tewerkgesteld. Met behulp van het kanon "Berta' dient hij Britse en Amerikaanse bommenwerpers neer te halen. Vreemd genoeg staat er in Zwischenbilanz, De Bruyns onlangs verschenen herinneringen aan zijn jeugd in het Derde Rijk, haast geen woord over dat levensgevaarlijke werk. Zo goed als niets lees je over de bombardementen; er vloeit geen bloed; er zijn geen vlammenzeeën. “Over dat soort dingen is al zo vaak geschreven,” zegt De Bruyn (1926) tijdens een gesprek in Aken, waar hij voor een lezing moet zijn. “Ik wilde liever mijn intellectuele ontwikkeling schilderen.” Dus noteert de memoirenschrijver niet hoeveel vijandige vliegtuigen hij destijds neerschoot, maar wel hoeveel boeken hij las: 120 stuks in één jaar, klassieke drama's voornamelijk, plus tientallen heimatromans. Boeken waar "te veel akelige dingen in stonden' stuitten hem tegen de borst.

Günter beleeft een beschermde kindertijd in een weliswaar vrij arm, hecht katholiek gezin. Alles wat van buiten komt ervaart hij als vreemd en griezelig. “Zo was de ontmoeting met een meisje uit verzetskringen een regelrechte cultuurschok voor me. Ik voelde me totaal niet op m'n gemak bij dat gezelschap zingende en gitaarspelende socialisten.” De jongen is voortdurend tot over zijn oren verliefd, maar weet in de praktijk niets met de aanbedenen aan te vangen. “Eerst zat ik op een "Oberschule für Jungen', toen moest ik de kazerne in. Ik had geen gelegenheid om vrouwen te leren kennen, maar des te meer om ze te idealiseren.” Het tere knaapje lijdt hevig onder de militaire dwang en het gezelschap van uitsluitend mannen - nog steeds is De Bruyn allergisch voor mannenclubs en machogedrag. In zijn jeugdherinneringen concentreert hij zich echter dermate sterk op het individu dat de lezer bijna vergeet waar de Wehrmacht als geheel voor stond. Het blijft curieus dat in Günters omgeving niemand ook maar een tikkeltje gedeformeerd raakt door de voorgeschreven bloeddorstigheid. “Wij luchtafweer-helpers,” licht De Bruyn toe, “wilden niets met de nazi's te maken hebben. Wij waren al een beetje ontgoocheld; het Derde Rijk was een aflopende zaak. Voor ons was Hitler een doodgewoon staatshoofd. Ons zei het niets dat hij werk geschapen en mensen uit de economische misère gehaald had. Daar waren de ouderen hem dankbaar voor, wij niet. Maar wij wilden wel graag bij de Wehrmacht horen, want dat vonden we volwassen staan.”

Tijdens zijn opleiding tot pantservoertuig-schutter raakt rekruut De Bruyn in de ban van een luitenant die moeiteloos Rilke en Hölderlin citeert. Deze fijnbesnaarde christen vecht niet voor Hitler, maar voor het behoud van de Duitse natie - een idee dat de jonge rekruut erg aanspreekt. “Vindt u werkelijk dat ik mijn superieuren nogal mild heb afgeschilderd?” vraagt De Bruyn rustig. “Dat heeft u dan verkeerd gelezen. Ik wilde alleen mijn verbazing uitspreken over het feit dat zij tot het bittere einde toe hun plicht bleven doen. De zaak was allang verloren, en zij waren niet eens aanhangers van Hitler.”

De keren dat hij met verlof is, bespeurt soldaat De Bruyn onder de Berlijnse burgerbevolking al evenmin veel enthousiasme voor de Führer. De hoofdstad van het Duizendjarige Rijk lijkt geen goede voedingsbodem voor haat en fanatisme. Daags na een bombardement, waarbij ook de woning van zijn moeder is ingestort, wordt De Bruyn aangeklampt door de piloot van een neergehaalde Amerikaanse bommenwerper. Beleefd wijst de soldaat de piloot de weg. Goebbels' voorspelling dat de Berlijners elke "Anglo-Amerikaanse vijand' die hun in handen valt ter plekke zullen lynchen, komt in dit geval niet uit. “Ik schrijf helemaal niet vergoelijkend over de Berlijners!” roept De Bruyn zachtjes uit. “Hooguit ontzie ik mijn eigen generatie enigszins.” De schuldgevoelens waarmee bijvoorbeeld zijn generatiegenote Christa Wolf op haar jeugd in nazi-Duitsland terugkijkt, zijn hem vreemd. “Het verschil is dat zij in Hitler geloofde,” formuleert hij aarzelend, want hij wil geen onaardige dingen zeggen over zijn collega, met wie hij dik bevriend is. “Het was een erg gelovig meisje.” De Bruyn was lang niet zo fanatiek als Wolf; hij paste zich zo min mogelijk aan. “Ik trok me in mezelf terug, waardoor ik ondanks alle dwang van buitenaf mezelf kon blijven. Wat er in de buitenwereld gebeurde deed me niet zoveel. Ik heb altijd een flinke afstand tot de staat bewaard, zodat mijn wereld ook niet instortte toen de DDR ter ziele ging.”

Granaatsplinter

In de laatste oorlogsmaanden wordt soldaat De Bruyn alsnog naar het front gestuurd. Hij raakt aan zijn hoofd verwond door een granaatsplinter en kan zes weken lang spreken noch schrijven. “Dat kwam mij ergens wel goed uit. Nu kon ik me nog beter in mezelf terugtrekken. Doordat ik de taal niet meer machtig was merkte ik bovendien hoe belangrijk woorden voor mij waren.” In het militaire hospitaal, temidden van SS-ers die lachend uit de doeken doen hoe zij "jodenwijven' doodschoten, beseft hij voor het eerst dat ook hij "aan de kant van de moordenaars stond'. Hij is bang voor de wraak van de overwinnaars.

Aan de eerste maanden na de oorlog bewaart hij gelukzalige herinneringen, ondanks de puinhopen, de honger en de Russen. Volgens hem heeft de omstreden "Stunde Null' wel degelijk bestaan. “Even stonden we buiten elke orde. Even had de staat geen greep meer op ons leven; we wisten niet eens meer of Duitsland nog wel bestond. Geld speelde voor ons geen enkele rol meer. Op een dag vond ik in de berm van een weg een koffer vol papiergeld. Ik was straatarm, maar ik heb de bankbiljetten met handenvol tegelijk in de lucht gegooid en toegekeken hoe de wind ze wegblies. We dachten dat geld als betaalmiddel had afgedaan.”

In de tweede helft van de jaren veertig werkt De Bruyn als onderwijzer in een Brandenburgs dorpje, middenin de Sovjetzone. Was hij een goede onderwijzer? “Ja, toch wel geloof ik. Ik probeerde mijn leerlingen tot individualisten op te voeden. Want ik weet uit eigen ervaring hoe afschuwelijk collectivisme is.” In elk geval is hij aan het karige Brandenburgse landschap verknocht gebleven. Hij woont er diep in de bossen, in een huis zonder telefoon en tot voor kort ook zonder elektriciteit.

De Bruyn is nooit lid van de SED geweest, zodat hij des te meer moest schipperen. Zijn jeugdherinneringen eindigen vlak nadat in 1949 de DDR wordt gesticht; de ex-onderwijzer is dan net in Berlijn aan een loopbaan als bibliothecaris begonnen. In zijn essaybundel Jubelschreie, Trauergesänge (1991) vertelt hij hoe hij in de vroege jaren vijftig een hele waslijst "ongewenste' boeken uit de bibliotheek waar hij toen werkte moest verwijderen en laten vernietigen. Hoe kon hij, boekenvriend bij uitstek, zoiets doen? “Het staatsterrorisme was in die tijd op zijn hevigst. Je was dus bang, erg bang, en je dacht aan je toekomst.” De euforie van de eerste naoorlogse maanden had niet lang geduurd. Over zijn leeftijdgenoten schrijft hij in zijn debuutroman Der Hohlweg (1963) dat deze "het gevoel van innerlijke vrijheid' hebben "verraden'. “Ik bedoelde een verraad aan zichzelf omdat ze niet onder een zekere aanpassing uit kwamen. Hun volgzaamheid in de nieuwe dictatuur leek erg op die uit het Derde Rijk.”

Zijn eigen morele houding is het duidelijkst getypeerd in de roman Preisverleihung (1972). Daarin moet de literatuurwetenschapper Teo Overbeck een lofrede houden op een schrijver wiens werk uit puur opportunisme van clichés aan elkaar hangt. De redenaar, aarzelend tussen angst en eerlijkheid, blijft in een ellenlange, nietszeggende inleiding steken. Ook De Bruyn zelf heeft wel eens halfslachtige redevoeringen moeten houden, en hij heeft een pijnlijke ervaring met staatsprijzen achter de rug. Uitgerekend voor zijn "onoprechte' soldatenroman Der Hohlweg, die hij later afkeurend Der Holzweg zou noemen, kreeg hij een hoge onderscheiding. “Stom genoeg heb ik de prijs geaccepteerd omdat ik het geld nodig had.” Zwischenbilanz schreef hij mede om zich alsnog voor Der Hohlweg te revancheren.

Hoe sterk was in de DDR de druk zichzelf te censureren? “Na mijn ervaringen met Der Hohlweg ben ik voorzichtiger geworden en legde ik uitgevers alleen nog maar kant en klare manuscripten voor. Natuurlijk heb ik daardoor aanvaringen met die uitgevers gekregen - de roman Neue Herrlichkeit werd aanvankelijk zelfs geweigerd -, maar ik trok me niet zoveel meer van hun oordeel aan.”

Petitie

De Bruyns groeiende reputatie als maatschappijcriticus dwong hem soms tot politieke stellingname. Hij was een van de zeven ondertekenaars van de petitie tegen de uitwijzing van Wolf Biermann in 1976, en in 1990 nam hij het voor Christa Wolf op bij de rel rond haar prozawerkje Was bleibt. “Ik vond het volkomen onterecht dat zo'n kritische schrijfster dermate van meeloperij werd beticht, puur en alleen omdat zij na de ineenstorting van de DDR nog steeds voor een vorm van socialisme was.” Zijn eigen geloof in het socialisme beperkte zich tot “het ongeloof dat de DDR ooit zou ophouden te bestaan. Omdat we niets van buitenaf verwachtten probeerden we het systeem van binnenuit te veranderen.” Speelde hij nooit met de gedachte naar het Westen te verhuizen? “O ja, zo vaak. In de DDR voelde ik me immers niet prettig. Maar een soort verantwoordelijkheidsgevoel heeft mij ervan weerhouden op te stappen. Ik meende toch iets voor mijn lezers te betekenen. Vluchten zou ik als verraad aan hen hebben beschouwd. Hoe meer vrienden en collega's er vertrokken, des te sterker werd het gevoel dat ik moest blijven.”

In De Bruyns romans zorgen morele conflicten altijd voor spanning en voor een zekere variatie aan stemmingen en emoties. De herinneringenschrijver liet zich echter slechts door één gevoel beheersen: een onverstoorbare opgewektheid. “Niets haat ik meer dan zulke etiketten,” zegt hij fel, geconfronteerd met de opmerking dat Zwischenbilanz zo'n door en door rationele indruk maakt. Het is de enige keer tijdens ons gesprek dat de bedachtzame schrijver even uit zijn slof schiet. “Je probeert zo genuanceerd mogelijk te schrijven en nog is het niet goed. Ik heb getracht me zo helder mogelijk uit te drukken en alle hartstocht terug te dringen.”

Maar waarom? Is hartstocht soms verwerpelijk? “We weten toch hoe desastreus het kan zijn wanneer mensen hun gevoelens, hun fanatisme, de vrije loop laten. Zeker wanneer je over je eigen leven schrijft moet je het hoofd koel houden en rechtvaardig blijven. Ook mensen met wie jij het niet eens bent moet je proberen te begrijpen. Op z'n minst moet je hun daden en motieven trachten te verklaren.” De Bruyn ontvangt veel post van lezers, met name van ouderen. “In dat weinig heldhaftige levensverhaal van mij herkennen zij zichzelf.” Deze mogelijkheid tot identificatie verklaart voor een belangrijk deel de nu al enorme verkoopcijfers van Zwischenbilanz in Duitsland. Terwijl de schrijver zijn image als antiheld blijft cultiveren, heeft uitgeverij S. Fischer hem met succes tot ster gebombardeerd. Ze stelde hem een luxeauto met privé-chauffeur ter beschikking, waarin hij zich als een ware triomfator door de Bondsrepubliek laat rijden. Niet zozeer "Was bleibt', maar vooral "Wer bleibt' is de vraag die schrijvers uit de voormalige DDR op dit moment bezighoudt. Het ziet er evenwel naar uit dat Günter de Bruyn zich over dat laatste geen zorgen hoeft te maken. Naar het tweede deel van zijn autobiografie, dat geheel aan zijn leven in de communistische heilstaat zal zijn gewijd, kijkt men reikhalzend uit.