Verplicht aan vader, moeder, knekelhuis; De kwestie-Ignacio Zuloaga in Madrid

Ignacio Zuloaga (1870-1945) werd geboren in Baskenland maar hij heeft het Baskische landschap nooit geschilderd. Sommige mensen concluderen hieruit dat Zuloaga's diepste emotie de liefde voor zijn geboortestreek is geweest. “Het zal wel iets met de failliete pretenties van de internationale arbeiderssolidariteit te maken hebben, dat je tegenwoordig met goed fatsoen aan een kunstenaar kunt vragen om de gevoelens van zijn volk te vertolken.”

Ignacio Zuloaga, t/m 10 april in Biblioteca Nacional, Paseo de Recoletos, Madrid. Geopend dag. 10-21u, zo 10-14u.

Je kunt van een schilder verlangen dat hij met verf en doek weet om te gaan, dat hij zijn vrouw niet slaat en zijn kleine hondje niet schopt. Maar mag je ook van hem eisen dat hij een goed vaderlander is?

Ik zou het me niet hebben afgevraagd als ik niet net de tentoonstelling Ignacio Zuloaga, 1870-1945 had gezien in de Nationale Bibliotheek van Madrid. Zuloaga kon schilderen als een beest en dat hebben zijn tijdgenoten onmiddellijk gezien. Rilke en Rodin, Ravel en Debussy, Barrès en D'Anunzio, Toulouse Lautrec en Emile Bernard - ze hebben allemaal in de meest gloedvolle termen van hun bewondering blijk gegeven, waren bevriend met hem of hebben met hem gecorrespondeerd. Zijn naam werd in één adem genoemd met die van Van Gogh en Gauguin. Geen Europese hoofdstad of hij werd er niet met een prijs en een overzicht geëerd, en ook in New York en Boston liepen ze met hem weg.

Waarom? Omdat Zuloaga volgens de kunstkenners van de jaren tien en twintig als geen ander het Spaanse landschap en de Spaanse ziel op het linnen wist te zetten.

Een wandeling door de expositieruimte van de Nationale Bibliotheek maakt subiet duidelijk hoe men daar zo bij kwam. Het is ook een onthutsende ervaring. Want daar hangen achtereenvolgens een spookachtige Goya, een dwerg door Velazquez, een kruisiging à la El Greco en nog wat Zurbaraneske geestelijken, luchten van Ribera, naakte Maja's en Castilliaanse landschappen asortis. Dat alles in bijzonder Spaanse kleuren. In diepbruin, roestrood en donkerblauw. Ik bedoel niets denigrerends met deze opsomming. Zuloaga was geen slappe epigoon en geen slaapverwekkende pasticheur, maar wel degelijk een schilder met een eigen stijl en een behoorlijk talent. Dat is te zien aan zijn krachtige lijnen, zijn kleurgebruik, zijn gevoel voor compositie - noem maar op. Het zijn allemaal Zuloaga's die hier hangen en geen kopieën van beroemde meesters. Toch word je er een beetje onrustig van.

Wezen en tijd

In 1926 opende koning Alfons XIII het Paleis der Schone Kunsten in Madrid. Met een tentoonstelling van Ignacio Zuloaga, uiteraard. Naast lof voor de meester, die inmiddels drie ateliers in Spanje had en één in Parijs, was er ook kritiek. De "Kwestie-Zuloaga' was geboren.

Het is tot op de dag van vandaag een goede Spaanse gewoonte om de dingen van de dag niet slechts in hun actuele context te beschouwen, maar ook ten principale aan de orde te stellen, in het licht van wezen en tijd. Zo leidt een aanrijding in de Gran Via al snel tot een debat over de "Kwestie-Madrid': is deze plaats het waard om de hoofdstad van Spanje te zijn en zo ja, aan welke eisen zou zij dan moeten voldoen. Een heffing op de import van Duitse naaimachines transformeert zich moeiteloos tot het "Probleem-Spanje' (bestaat ons vaderland en indien het antwoord bevestigend luidt, waar ligt het dan, in Europa of in Afrika?). Ten tijde van de oorlog met Irak werd de discussie over het sturen van een handvol matrozen naar de Golf gemarkeerd door de herinnering aan de kruistochten en de opvattingen van de heilige Augustinus enerzijds en de relaties met de Arabische wereld in het komende millenium aan de andere kant. Deze gewoonte kost veel tijd.

De Kwestie-Zuloaga, die de Spaanse kranten volgens een vouwblad bij de huidige expositie ruim drie jaar bezighield alvorens in de loop van 1929 "geleidelijk aan tot rust te komen', draait om de vraag hoe Spaans een Spaanse schilder in zijn werk moet zijn. Is hij als kunstenaar geslaagd als men in het buitenland alle romantische clichés en oppervlakkige denkbeelden over het land in zijn werk bevestigd ziet? Heeft hij verplichtingen aan de tradities van zijn geboortegrond, ook al werkt hij in Parijs? Dient hij authentiek-Spaans of authentiek-zichzelf te zijn, of beide? En wat is authentiek in het Spanje van de jaren twintig, de al eeuwen bestaande sociale orde inclusief armoe en achterlijkheid, of het streven naar verandering, dat een teken is van de nieuwe tijd?

De schrijvers van de "generatie van '98' sprongen vrijwel zonder uitzondering voor Zuloaga in de bres. Literatoren zijn bijna altijd conservatief op het gebied van beeldende kunst en Ortega y Gasset, Unamuno, Baroja, Valle-Inclan en Azorin waren bovendien zelf ook nogal druk met het Spaanse landschap en de Spaanse tradities. Daar kwam nog bij, dat ze met Zuloaga bevriend waren en door hem fraai zijn vastgelegd. De portretten van schrijvers en musici (zoals Manuel de Falla) horen nu bij het aardigste wat er te zien is in de Nationale Bibliotheek. Dat bestaat niet meer: dat een hele artistieke generatie zichzelf vastlegt in woord èn beeld.

Españolisme

Zuloaga overleed in 1945. Een groot groepsportret van alle vrienden samen maakte hij nooit af. Het hangt als tekening op de expositie. In de catalogus wordt gesuggereerd dat de Burgeroorlog, die de groep doormidden scheurde, Zuloaga de lust tot voltooiing benam.

Ik denk dat niemand het ook meer serieus had genomen in het Europa van na de WO II. Als er iets kenmerkend was voor de serieuze kunst van de naoorlogse jaren, dan toch de behoefte om niet meer op één plaats thuis te zijn. Weg uit het lokale, provinciale, nationale - en weg met de verplichtingen aan vlag en vader, moeder, knekelhuis. Het españolisme van Zuloaga lijkt dan iets uit een andere eeuw.

Of léék daar althans op. Het zal wel iets met de failliete pretenties van de internationale arbeiderssolidariteit te maken hebben, dat je tegenwoordig al weer geruime tijd met goed fatsoen aan een kunstenaar kunt vragen om de gevoelens van zijn volk te vertolken en als vertegenwoordiger op te treden van de nationale eigenaardigheid. Ga straks maar kijken op de Wereldtentoonstelling van Sevilla, de laatste van deze eeuw. Of lees de gastschrijvers in dit supplement. De lezer zou teleurgesteld zijn als ze niet met van die typisch Chinese ogen keken en hun waarnemingen niet noteerden met Chinese inkt. (Vul in: "Hongaars' of "Kroatisch', al naar gelang, maar in geen geval Joegoslavisch). En de redactie zou zich bekocht voelen wanneer ze zich in hun bijdragen zouden opstellen als individuen die zich geheel van hun achtergrond hebben losgemaakt, als wereldburgers met een uitsluitend door persoonlijke eigenaardigheden bepaalde smaak. Nog afgezien van de vraag, of ze daar zelf wel behoefte aan zouden hebben. De halve wereld lijkt immers bezig met het herontdekken van zijn kroatische, catalaanse, joodse, tataarse identiteit.

In het geval van Zuloaga heeft de terugkeer van het nationalisme overigens wel voor enige problemen gezorgd, die gelukkig inventief zijn opgelost. De overzichtstentoonstelling, die eerder in Bilbao, Parijs, Dallas en New York te zien is geweest, is georganiseerd met steun van de Eusko Jaurlaritza. Dat is de provinciale regering van Baskenland. De catalogus is tweetalig en doet grote moeite om te bewijzen dat Zuloaga, die in Eibar werd geboren en uit een Baskische kunstenaarsfamilie stamde, genoeg euskalduntasuna had om aanspraak te maken op een plaats in het Euskal Herriaren paneoia (het pantheon van het Baskische Volk). Probleem hierbij is, dat hij zich - geheel in overeenstemming met het beeld dat de rest van Europa over Spanje heeft - in zijn werk vrijwel uitsluitend heeft beziggehouden met landschappen en klederdrachten van de Spaanse hoogvlakte en uit Andalusië. Zelfs toen hij de arena van Eibar schilderde, trok hij de figuurtjes op zijn doek nog de kostuums van Segovia aan. De catalogusschrijvers zijn er niettemin van overtuigd dat de liefde voor zijn geboortestreek de diepste emotie is geweest die Zuloaga heeft gekend, veel dieper dan wat hij voelde voor de rest van Spanje, omdat ze ervan uitgaan dat een andere mogelijkheid eenvoudig niet bestaat. Dat hij het Baskische landschap niet geschilderd heeft, wordt als een bewijs voor hun stelling aangevoerd. Dat zou immers neerkomen op het blootleggen van de eigen ziel - en zoiets doen Basken nu eenmaal niet graag.

Zou de schilder bij het lezen van een dergelijke tekst in lachen zijn uitgebarsten of draait hij zich nu om in de resten van zijn kist? Als het tweede het geval is, dan is dat zijn gerechte straf. Hij moest Spaans zijn om succes te hebben. Hij heeft het er volop naar gemaakt.