Theepot verschanst tussen levensmiddelen; Verhalen van Hedda Martens

Hedda Martens: Een naald op het water. Uitg. Querido, 115 blz. Prijs ƒ 27,50.

Het is haast teveel van het goede, maar wel mooi. Alles is eraan gedaan om titel, omslag en inhoud van Hedda Martens nieuwe verhalenbundel, Een naald op het water, overeen te laten stemmen. Op het omslag is een roomwitte kom met water te zien waarop een naald drijft. Een sereen en aantrekkelijk belicht stilleven is het, dat iedereen zal kunnen namaken die het boek gelezen heeft. In het derde verhaal, toepasselijk ”Handleiding' genaamd, wordt beschreven hoe een naald met behulp van kaarsvet tot drijven kan worden gebracht. Aardige bijkomstigheid is dat de punt van de naald, eenmaal tot stilstand gekomen, naar het noorden wijst. Ook in het groot, in de zeven verhalen die zozeer samenhangen dat je van een roman kunt spreken, is er steeds het verlangen naar evenwicht, naar stil leven.

Niets is hier aan het toeval overlaten, en dat is geen wonder. Hedda Martens had, of nam in elk geval alle tijd om aan haar tweede boek te schaven. Tien jaar geleden debuteerde ze met Sjibbolet en andere verhalen. Er is in die tien jaar niets veranderd. De geest van de Revisor zweeft net als toen boven de bladzijden. Ook nu weer wordt er volop gepeinsd over het leven, over het verschil tussen toekijken en deelnemen, denken en doen, binnen- en buitenwereld. En ook nu weer valt op hoe nadenkelijk en verknoopt haar stijl is. Een zekere voorliefde heeft ze voor dichterlijke zinnen die met een gedachtenstreepje of dubbele punt bijeen gehouden moeten worden, zoals deze: “Wat we elkaar toeschrijven, over en weer, hoe we elkaar met eigenschappen bekleden - maar misschien is dat ook wat je doet met je eigen bestaan, als een oester zijn schelp.”

Een naald op het water is een curieus mengsel van intimiteit en afstandelijkheid. Namen, plaatsen en jaartallen ontbreken en de precieze gang van zaken moet men zelf zien te reconstrueren. Aan het woord is een vrouw die beurtelings zichzelf en een jij toespreekt. Die jij is haar ex-echtgenoot, die ze nog altijd lief heeft en die in alles haar tegenhanger is. Zij is een mensenschuwe huismus, hij is een wereldreiziger die zich overal op zijn gemak voelt. Het is weer als vanouds. De vrouw zit geduldig thuis te wachten in de hoop dat haar man ooit terug zal keren en troost zich in de tussentijd met kleine meevallers: een ontmoeting, een telefoontje of een briefje.

Hoe zielig is zij? Een moeilijke vraag. Zij laat geen traan, althans niet waar wij bij zijn. Zij klaagt niet en zij is ook niet boos of erg verdrietig. Is zij misschien een beetje te goed opgevoed? Wat een verschil met de eveneens tot wachten gedoemde vrouw die Marie Kessels vorig jaar in haar roman Boa ten tonele voerde. Wanhoop, strijdlust, optimisme, woede en hartstocht streden er om de voorrang. Dat maakte haar, in indringende en kleurrijke bewoordingen, tot een misschien niet altijd even navolgbare maar wel fascinerende figuur. Vergeleken met deze manisch-depressief aangelegde dame, is Martens' hoofdpersoon een toonbeeld van kalmte en zelfbeheersing. Om niet te zeggen: tamelijk saai. Op de allereerste bladzijde van het boek spreekt zij zichzelf al vermanend toe: “Misschien ben je te frivool geweest, te luchthartig want dat komt wel voor, soms wel dagen achtereen.” Een waarschuwing die niet aan dovemansoren is gericht, want van frivoliteit of luchthartigheid valt in dit boek niets te bespeuren. “Sommige dingen zeg, schrijf, doe je niet. Jij niet”, houdt zij zich streng voor. “De hoge toon van ingezonden brieven, de uitgelatenheid van een strandfeest, een fietstocht in Duitsland, de maskerade van het carnaval.” Ook houdt ze niet van felle kleuren of van onverwachte gebeurtenissen. “Ik vraag niet naar dingen die nog moeten gebeuren, want wat eerder gebeurd is geeft al genoeg te doen”, zo verklaart ze haar contemplatieve levenshouding.

In Een naald op het water wordt volop, maar op ingehouden wijze teruggekeken. Maar éénmaal staat Hedda Martens haar hoofdfiguur toe om haar zelfbeheersing te verliezen, precies op de helft van de roman. Dit is het moment waarop zij een tastbaar bewijs vindt voor het overspel van haar man. In zijn jaszak treft zij zilverkleurige nylonkousen aan, haar eigen kousen, die ze in een opwelling aantrekt, “tot ik opeens de brede ladder zag die, hoog in het been, bij een felle dot helrode nagellak stopte. Nooit, nooit had ik me nog aan die kleur durven wagen, handen als klauwen die ik niet meer herkende - ik rukte de kous die de vorm, de geur van welk been had met hakende nagels los van mijn voet en daar lag hij, als vuil op de badkamervloer. Ik waste mijn handen, waste mijn gezicht, douchte me van onder tot boven en haren en tegels, alles werd nat. Het deed er niet toe; niets deed er nog toe want dit was het einde, nu was alles voorbij.”

Een omslagpunt is dit helaas niet. Je zou verwachten dat er na deze emotionele uitbarsting, gevolgd door een soort rituele reiniging, een verandering op zou treden, maar de woede dooft alweer snel. Als de bedrieger 's nachts thuiskomt, wacht ze af tot hij in slaap is gevallen om met behulp van het bedlampje zijn gezicht eens rustig te kunnen bestuderen. “De plooitjes langs je neus, elk jaar zag je ze beter en ik wist heel zeker hoe je later op Grootvader zou gaan lijken. Hoe je langzaam op Grootvader zou gaan lijken en ik er niet bij zou zijn om het te zien.”

Levensangst

Boosheid is in dit boek niet te vinden, maar des te meer levensangst. Die spreekt ook uit de bijzondere verstandhouding die de vrouw heeft met wat haar thuis omringt, met ”de dingen'. Martens bedrijft hier, zoals wel meer schrijvers, een hoger soort materialisme dat aan het stoffelijke een onstoffelijke, religieuze glans verleent. Aan fluitketel, vaas, theepot, waxinelichtje, emmer, luciferdoosje, trui, jurk, kous, stofzuiger, naald, draad, schaar en soepkom wordt het vermogen toegeschreven om een ”zelfstandig beleid' te voeren. En dat vermogen benutten ze ook, als we onze heldin mogen geloven. “Je went nooit aan de dingen”, verzucht ze, “ze verzinnen altijd iets nieuws”. Het kraagje van een mousselinen blouse gaat rafelen, naalden raken zoek, een emmer met vuil sop laat haar zomaar struikelen, een jampot wil zijn inhoud niet prijsgeven, de fluitketel laat zich pardoes op de theepot vallen en de theepot zelf maakt het ook nog wel eens bont. “Nu eens staat de theepot links, dan weer rechts in het kastje terwijl ik hem toch het liefst bij de soepkommen zie, eveneens porselein (-). Eenmaal zelfs had hij zich tussen de levensmiddelen verschanst, een pak rijst op de voorgrond.”

Het is vooral dit kinderlijke en pathetische verwijlen bij ”de dingen' die dit boek er soms zo onecht uit doet zien. Begrijpelijk is die interesse voor voorwerpen wel. Als de hoofdpersoon verzucht dat zij roerloos zou willen zijn, net als de dingen, dan bedoelt zij dat zij een leven zou willen zonder verplichting of verantwoordelijkheid. Haar grote voorbeeld is de naald op het water die zo stilletjes en bezonken de richting aangeeft. Maar wie heeft de naald eigenlijk gevraagd of hij deel uit wil maken van zo'n waterig kunstwerk, dat strijdig lijkt met zijn ijzeren aard? Niemand, vermoed ik, al blijft het een fraai schouwspel.

Sommige streektaalliefhebbers hebben hun hoop vooral op het oosten gevestigd. In de Achterhoek werkt men samen met de Duitse tegenhanger van het Staringinstituut, net over de grens in Vreden. “Dat instituut is gemodelleerd naar het onze”, vertelt Grit, “en in het hele gebied spreken we hetzelfde dialect. Er zijn allerlei vormen van samenwerking en we organiseren ook gezamenlijke bijeenkomsten, onder meer een zogeheten Tag des Plat.” De grens tussen Nederland en Duitsland loopt er als een door ambtenaren getrokken streep doorheen, een gevolg van touwtrekkerij in een grijs verleden tussen het Bisdom Munster en het Graafschap Gelre. Met het Achterhoeks kan men zich in een groot deel van Duitsland redden, meent Lex Schaars: “Ze zeggen tot voorbij Hamburg.” De Twent kan zich volgens de Twente Akademie in zijn moedertaal tot Hannover verstaanbaar maken. Van een Hengelose leraar Nederlands is bekend dat hij bij een Deense slager poulet wist te bestellen door te vragen om ”böllekesvlees'.