Stadsbestuur faalde bij controle op handel kredietbank

GRONINGEN, 3 APRIL. De in opspraak geraakte Groningse Kredietbank (GKB) verstrekte jarenlang ongelimiteerde commerciële hypothecaire kredieten aan personen die bij andere banken geen vertrouwen genoten. Daarbij werd gebruik gemaakt van dubieuze tussenpersonen, die in veel gevallen zelf de taxatie van het onderpand verrichtten. In één geval bestaat de indruk dat die "onvoldoende betrouwbaar' was.

Het potentiële verlies voor de gemeente Groningen zou tussen de 15 en 40 miljoen gulden liggen. Dit zijn de belangrijkste conclusies van een externe commissie onder leiding van het oud-PvdA-Kamerlid dr. H.M. Franssen naar het reilen en zeilen van de GKB en van een Interne Onderzoeksgroep. De commissie is van oordeel dat de verstrekking van commerciële kredieten door de bank moet worden gestopt en de hypotheekportefeuille moet worden verminderd dan wel afgestoten. De gemeente bezit de kennis niet om op de commerciële hypotheekmarkt te opereren.

De externe commissie werd half januari ingesteld door de gemeenteraad en moest een oordeel geven over de ontwikkeling van de kredietverlening door de GKB. De Interne Onderzoeksgroep moest informatie geven over de feitelijke hypotheekverstrekking. Begin december werden B en W van Groningen gealarmeerd door de gemeentelijke kassier dat de GKB een hypotheek van bijna 17 miljoen had toegezegd aan de eigenaar van een handelsonderneming in Zeegse (Dr.). Daarbij bleek dat de commerciële kredieten waarmee de bank in 1985 was begonnen om haar sociale activiteiten te financieren, in de loop der jaren fors waren gestegen, ondanks een in 1987 door de raad vastgesteld kredietplafond van vijf miljoen.

De commissie concludeert dat de bank eind 1989 in feite al failliet was. “De conclusie uit de financiële analyse is dat de GKB een luchtballon was, die vol met kosten kon worden opgeblazen door de tot 1989 zeer gunstige rentestructuur.”

De geschorste bankdirecteur B. Ketelaar is de eerst verantwoordelijke voor het debâcle, stelt de commissie. Hij nam onverantwoorde kredietrisico's, verschafte misleidende informatie, liet kosten oplopen, paste binnen de bankwereld strikt noodzakelijke normen niet toe, liet zich in met "dubieuze afnemers en tussenpersonen' en zorgde “op geen enkele wijze voor reserveringen voor risico's uit de kredietverlening”.

Beleidsafwijkingen legde Ketelaar niet voor aan de verantwoordelijke wethouder. Noch de wethouder van sociale zaken noch die van financiën ontving "beschikbare informatie' zoals kwartaalverslagen van de bank. De raad kreeg wel informatie maar die was niet objectief, summier, soms onjuist en "regelmatig ronduit misleidend'. Ook de directeur van de gemeentelijke sociale dienst, onder wie Ketelaar ressorteerde, treft blaam. Hoewel er volgens de commissie voldoende signalen waren dat het met de bank misging, greep deze niet in.

In augustus 1990 rapporteerde de Interne Controle van de sociale dienst aan de directeur over het grote aantal hypotheken. Voorgesteld wordt een externe, in het bankwezen gespecialiseerde accountant in te schakelen. De directeur stapte niet naar een extern bureau maar naar de gemeentelijke accountantsdienst die in oktober 1991 "dubieuze recreatieprojecten en een enorme produktiestijging' signaleerde. De uiteindelijke rapportage is echter onder invloed van Ketelaar "bijgesteld'.

Ook de gemeentelijke accountantsdienst gaat niet vrijuit. Volgens de commissie keurde ze ten onrechte de jaarrekeningen 1989 en 1990 goed, hoewel er over de jaren 1985 tot en met 1988 wel kritische kanttekeningen worden geplaatst over de achterblijvende rentabiliteit.

Als belangrijkste oorzaak van het falen van de controlemechanismen noemt de commissie de heersende bestuurscultuur in Groningen. Sinds 1987 hebben algemeen directeuren van de diensten een grote zelfstandigheid en bevoegdheid. Zij sluiten managementcontracten af met het college van B en W. Na afloop vindt er een zogenoemde managementrapportage plaats.

De commissie beschrijft de bestuurscultuur als volgt: “Een wethouder (..) moet wel erg veel drempels overwinnen voordat deze rechtstreeks bij de dienst kan of mag informeren hoe het er feitelijk voorstaat”. De commissie beveelt aan dat de verantwoordelijke wethouder voortaan moet oordelen over de bekwaamheid van een Algemeen Directeur. Tevens moet de wethouder als portefeuillehouder “met enige regelmaat persoonlijk met de sleutelfiguren uit de diensten communiceren.”

De commissie spreekt zich niet uit over de politieke gevolgen van de affaire. Wel stipt ze aan dat de ruime en ongelimiteerde bevoegdheden van Ketelaar niet in de huidige collegeperiode maar in de vorige (1986-1990) aan de bankdirecteur zijn toegekend.

Burgemeester H. Ouwerker sprak gisteren van een "ontluisterende rapportage'. “Veel zal moeten worden gedaan om het geschonden blazoen van het stadsbestuur te herstellen.” Het college praat naar aanleiding van de rapportage binnenkort met de hoofdofficier van justitie. Volgens de commissie zijn er echter geen frauduleuze handelingen gepleegd.