Simons: vormen van euthanasie niet scheiden

DEN HAAG, 3 APRIL. Staatssecretaris Simons (volksgezondheid) distantieert zich van de opvatting van minister Hirsch Ballin (justitie) die een juridisch strikte scheiding wil tussen vrijwillige en onvrijwillige euthanasie.

In moreel opzicht is er geen onderscheid tussen levensbeëindiging met en zonder verzoek van de patiënt. Dit zei Simons gistermiddag aan het slot van het Kamerdebat over het kabinetsstandpunt over de euthanasieregeling.

Het debat de afgelopen dagen spitste zich voornamelijk toe op de vraag of beide vormen van levensbeëindiging wel kunnen worden ondergebracht in één meldingsprocedure, zoals het kabinet heeft voorgesteld. Onderbrenging in eenzelfde procedure betekent volgens Hirsch Ballin niet dat voor onvrijwillige euthanasie hetzelfde terughoudende vervolgingsbeleid van justitie zal gelden als voor levensbeëindiging op verzoek.

De coalitiepartijen CDA en PvdA steunden het regeringsstandpunt dat de verruiming van de nu voor euthanasie geldende meldingsprocedure naar levenbeëindiging zonder verzoek nodig is om ook die gevallen te kunnen toetsen. De oppositiepartijen VVD, D66 en Groen Links verklaarden zich mordicus tegen de aangebrachte koppeling omdat hiermee impliciet een praktijk van levensbeëindiging zonder verzoek wordt goedgekeurd. Bovendien zou aan de andere kant de expliciete verzekering van de minister van justitie dat artsen bij onvrijwillige levensbeëindiging zeker zullen worden vervolgd, tot gevolg hebben dat zij dit eenvoudig niet zullen aanmelden. VVD-woordvoerder Dees benadrukte gisteren nog eens dat naar de mening van zijn fractie in die gevallen sprake is van moord of doodslag. Hirsch Ballin stelde zich op het standpunt dat de voorgestelde toetsingsprocedure “volstrekt geen goedkeuringsprocedure is”.

Hirsch Ballin nam afstand van de conclusie van de commissie-Remmelink dat ook levensbeëindiging niet op eigen verzoek valt onder “normaal medisch handelen”. Deze onderzoekscommissie die in opdracht van het kabinet het medisch handelen rond het levenseinde in kaart bracht, constateerde dat ongeveer 1.000 keer per jaar een eind wordt gemaakt aan het leven van patiënten die daarom niet zelf hebben gevraagd. Hierbij gaat het meestal om comapatiënten, zwaar gehandicapte pasgeborenen of terminale psychiatrische patiënten. “Wij achten het verkeerd daarvan te zeggen dat het gaat om normaal medisch handelen”, aldus Hirsch Ballin. Staatssecretaris Simons verklaarde echter het tegenovergestelde: “Het kabinet zegt dat het mogelijk is dat de commissie-Remmelink gelijk heeft, dat veel van de casuïstiek die erachter steekt een grote mate van billijkheid heeft.” Volgens Simons is de euthanasiediscussie verschoven naar “al die gevallen die ook een direct initiatief van de arts vergen zonder dat de patiënt in staat is geweest een eigen uiting te bewerkstelligen.” “Ik betwist de mening van de heer Dees over de strikte waterscheiding in moreel opzicht,” aldus Simons.