ROTTERDAM, 3 APRIL. Hoewel de VN-conferentie over ...

ROTTERDAM, 3 APRIL. Hoewel de VN-conferentie over Milieu en Ontwikkeling (UNCED 92) in juni te Rio de Janeiro op een harde botsing tussen "Noord' en "Zuid' dreigt uit te lopen, is er één onderwerp waarop de rijke en ontwikkelingslanden elkaar waarschijnlijk zullen vinden. Dat is de overdracht van schone technologie door de rijke aan de arme landen. “Hiermee kan het noorden laten zien dat het bereid is een deel van de milieurekening te betalen. Dat is belangrijk om het zuiden over de streep te trekken”, zegt prof.dr. H. Opschoor. De ontwikkelingslanden vinden dat de rijke landen de eerst verantwoordelijken zijn voor het milieuprobleem in de wereld en dat deze daarom moeten opdraaien voor de kosten.

De hoogleraar milieukunde aan de Vrije Universiteit is als voorzitter van het "Brazilië-platform', waarin een groot aantal particuliere organisaties zich heeft verenigd, nauw betrokken bij de voorbereiding van de UNCED.

De voorbereidende conferentie in New York, die vandaag wordt afgesloten, lijkt Opschoors hoop te voeden. De onderhandelaars bereikten overeenstemming over een ontwerp-verklaring. In de tekst zeggen de rijke landen toe zich in te zullen spannen voor technologie-overdracht “onder gunstige voorwaarden”. Overdracht van technologie aan ontwikkelingslanden is naast het 'Handvest voor de aarde' en de financiering van kostbare milieuprogramma's een van de belangrijkste onderwerpen op de UNCED.

Zonder moderne technologie blijft duurzame ontwikkeling een illusie. Lekkende oliepijpen, schoorstenen die roet uitstoten, onverantwoorde afvallozingen, levensgevaarlijke kerncentrales en energieverslindende machines zijn tenslotte vooral een fenomeen in ontwikkelingslanden, waartoe in dit geval ook Oost-Europa mag worden gerekend. In Oost-Europa wordt per geldeenheid produkt vier maal zoveel energie gebruikt als in de rijke landen. Een giframp als in het Indiase Bhopal zou in de rijke landen waarschijnlijk niet mogelijk zijn geweest. Volgens de in New York opgestelde ontwerp-verklaring is toegang tot schone en zuinige techologie dan ook “een van de essentiële voorwaarden voor een duurzame ontwikkeling”.

Overdracht van technologie is bij uitstek een zaak voor zowel overheden, bedrijfsleven als wetenschappelijke instellingen. Dat maakt het tot een zeer gecompliceerd onderwerp. Technologie is slechts voor een deel vrij beschikbaar. Bedrijven hebben er meestal veel geld en vernuft in geïnvesteerd. Nieuwe produkten en produktieprocessen zijn daarom met patenten beschermd. “De overdracht van technologie en know how is in essentie een commerciële transactie”, zei dr.ir. H.J. Kraaijveld, hoofd "veiligheid en milieu' van Shell, onlangs op een congres. Tegelijkertijd is volgens de Shell-functionaris technologie-overdracht ook een belang van internationale ondernemingen.

Mooie woorden? Volgens hoogleraar Opschoor valt dat waarschijnlijk wel mee. Multinationals hebben er alleen al wegens hun corporate image alle belang bij ook in ontwikkelingslanden zuinig en schoon te produceren. Het is voor zulke ondernemingen bovendien van belang dat ze regionale markten veilig stellen. “Ook zie je steeds meer dat enigszins gevorderde ontwikkelingslanden zoals Thailand slechts met de meest geavanceerde technologieën genoegen nemen.”

Zoveel is zeker, ondernemers willen geld zien bij de overdracht van technologie. In geval van armere landen lijkt het onontkoombaar dat het "noorden' financieel bijspringt om de prijs van schone technologie te drukken. De rijke landen zegden deze week in New York toe zich “actief” op te stellen in onderhandelingen met ondernemingen. Opschoor denkt aan het verlagen van de prijs van patenten door subsidies of verkorting van de duur ervan.

Kraaijveld van Shell ziet veel in joint ventures en het sluiten van licentie-overeenkomsten. Volgens de ontwerp-verklaring van New York moeten zulke vormen van “langdurig partnerschap” worden bevorderd, omdat technologie-overdracht dan beter verloopt. Multinationals als Shell zijn al bezig met een verdergaande “regionalisatie” van hun onderneming, waarbij scholing van de lokale staf een belangrijke rol speelt. Zo wordt voorkomen dat in ontwikkelingslanden elitaire "wetenschapseilanden' ontstaan.

Technologie-overdracht moet tweerichtings-verkeer zijn. De meeste deskundigen spreken dan ook liever van technologische samenwerking. En dat niet louter om psychologische redenen. Op een aantal terreinen, zoals landbouw, is in ontwikkelingslanden immers bruikbare kennis aanwezig. De vaak grote variëteit aan plantensoorten kan van groot belang zijn bij plantenveredeling.

Opschoor: “Heel belangrijk is dat je wetenschappers uit het zuiden hierheen haalt. Dat heeft twee voordelen: ze maken hier kennis met de beste technologie en ze kunnen ook meepraten over de ontwikkeling van nieuwe technologie.”

Het louter leveren van hard ware is volgens de hoogleraar dan ook volstrekt onvoldoende. Ook organisatorische vaardigheden (management) en communicatie zijn essentiële onderdelen van de technologische samenwerking.

De suggesties om technologie-overdracht te bevorderen zijn talrijk. In de tekst van New York is sprake van wereldwijde en nationale task forces die moeten zorgen dat er voldoende geld wordt vrijgemaakt. Dergelijke "taakteams' zouden via bestaande organisaties moeten werken. Ook dienen er internationale "netwerken' van onderzoekscentra te komen. Via regionale clearinghouses - een soort wereldwijde "wetenschapswinkels' zou de kennis moeten worden verspreid. Daar zouden ook de technologische behoeften moeten worden bepaald en de "milieuvriendelijkheid' van de technologie beoordeeld. De "netwerken' dienen ook de uitvoering van internationale milieu-conventies te bevorderen.

Volgens vooral de rijke landen moeten er geen nieuwe internationale organisaties voor technologie-overdracht komen. Dat zou alleen maar extra geld kosten en de coördinatie bemoeilijken. Voor de ontwikkelingslanden geldt dan wel als voorwaarde zij in die bestaande organisaties meer zeggenschap krijgen.

Op agrarisch terrein kunnen de netwerken via de FAO (VN-organisatie voor voedsel en landbouw) lopen. Deze beschikt immers al over een goede infrastructuur in ontwikkelingslanden. Volgens Opschoor kunnen voor de industriële netwerken de regionale ontwikkelingsbanken worden ingeschakeld. Op deze wijze kunnen de Westerse industrieën er ook gemakkelijker bij worden betrokken.

Volgens schattingen tijdens de voorbereidende conferentie in New York kost het operationeel maken van de internationale netwerken zo'n 550 tot 700 miljoen dollar per jaar. Hierin zijn nog niet de kosten begrepen die gemoeid zijn met de (gesubsidieerde) aankoop van door particuliere bedrijven gepatenteerde technieken.

De noordelijke landen stellen zich op het standpunt dat alleen de armste landen financieel geholpen worden. Meer gevorderde landen als India en Brazilië moeten erop rekenen dat zij zelf een behoorlijke financiële bijdrage moeten leveren.